ECLI:NL:HR:2010:BM0754
Hoge Raad
- Cassatie
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2007. De Hoge Raad constateert dat het arrest niet in het openbaar is uitgesproken zoals vereist volgens artikel 362, eerste lid, juncto artikel 415 Sv Pro. Daarom spreekt de Hoge Raad het arrest alsnog in het openbaar uit.
De Hoge Raad beoordeelt vervolgens de overige middelen van cassatie en concludeert dat deze niet tot vernietiging kunnen leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
Ten slotte stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaar tot twee jaar en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze dienovereenkomstig. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is uitgesproken op 21 september 2010 door de raadsheren De Savornin Lohman, Thomassen en Loth.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.