Conclusie
1.Inleiding en overzicht
de Bijlage).
legesdie zijn geheven in verband met de aanvraag door zowel de vrouw als de man van een paspoort in 2018. De vrouw en de man hebben beroep ingesteld tegen de leges. Verder is beroep ingesteld tegen het uitblijven van de uitspraak op bezwaar tegen een eerste dwangsombesluit (wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de leges) alsmede tegen het uitblijven van een tweede dwangsombesluit (wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het eerste dwangsombesluit). Hoe dat eerste dwangsombesluit en de vervolgstappen procedureel geduid moeten worden, roept overigens vragen op, maar dit heb ik verder laten rusten (2.13-2.14). Hoe dan ook, de
Rechtbankheeft de laatstgenoemde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en heeft de beroepen betreffende de leges ongegrond verklaard.
het Hofwas onder meer in geschil of de zogenoemde opbrengstlimiet is overschreden. Belanghebbende heeft in dat kader onder meer gesteld dat de heffingsambtenaar heeft nagelaten de gehele begroting van de gemeente Groningen (de gemeentebegroting) over te leggen op grond van art. 8:42 Awb Pro. Het Hof heeft geoordeeld dat die stelling feitelijke grondslag mist (
oordeel 1). Het Hof heeft verder de hogerberoepsgrond verworpen dat de Rechtbank in strijd met art. 8:78 Awb Pro haar uitspraak pas openbaar heeft gemaakt nadat deze aan partijen is verzonden (
oordeel 2). Ook heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht te vergoeden in het niet-ontvankelijk verklaarde beroep tegen het uitblijven van een tweede dwangsombesluit (
oordeel 3).
drie cassatiemiddelenvoorgesteld die zijn gericht tegen deze oordelen. Middel I is gericht tegen oordeel 2, middel II tegen oordeel 1 en middel III tegen oordeel 3.
de vraagof indien een begroting van een gemeente of een waterschap een op de zaak betrekking hebbend stuk is, het bestuursorgaan de begroting steeds moet toezenden aan de rechter op grond van art. 8:42 Awb Pro, ook al is de begroting openbaar. Voor deze zaak is met name van belang het onderzoek
of voor een gemeentelijke begroting een wettelijk vastgelegd openbaarmakingsregime geldt. Zo’n openbaarmakingsregime zou gelden indien de vaststelling van een dergelijke begroting een besluit van algemene strekking is als omschreven in art. 3:42 Awb Pro, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat die vaststelling niet zo’n besluit is. Een verplichting tot openbaarmaking van een gemeentelijke begroting heb ik evenmin aangetroffen in de Gemeentewet of in de Bekendmakingswet.
middel I. De klacht dat het Hof niet op begrijpelijke wijze is ingegaan op de hogerberoepsgrond over het te laat openbaar maken van de uitspraak van de Rechtbank, is niet zonder grond (4.2). Het middel kan naar mijn mening echter niet tot cassatie leiden, omdat belanghebbende niet is benadeeld door de omstandigheid dat de uitspraak pas openbaar is gemaakt na verzending van de uitspraak aan partijen (4.3-4.9).
middel IIbetreffende het niet-overleggen van de gehele gemeentebegroting. Een strikte lezing van de toelichting op het middel zou meebrengen dat het middel faalt, omdat de toelichting uitgaat van een onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof (5.3-5.6), maar ik zou het middel ruimer willen opvatten. Ik begrijp het oordeel van het Hof zo dat de stelling over het niet-overleggen van de gemeentebegroting feitelijke grondslag mist, omdat de heffingsambtenaar de gemeentebegroting digitaal heeft doen toekomen aan belanghebbende. Ik meen dat dit oordeel hetzij getuigt van een onjuiste rechtsopvatting hetzij onbegrijpelijk is (5.10-5.12), omdat uit de redengeving niet volgt dat de gemeentebegroting is overgelegd (aan de bestuursrechter). Cassatie kan niet achterwege blijven op de grond dat de gemeentebegroting openbaar is en behoort te worden gemaakt op grond van een wettelijk vastgelegd openbaarmakingsregime, reeds omdat ik geen wettelijk voorschrift heb kunnen traceren waaruit een dergelijke openbaarmakingsverplichting volgt (5.14). Verder is de gemeentebegroting weliswaar te vinden op internet, maar uit de uitspraak van het Hof kan niet worden afgeleid dat het Hof er rekenschap van heeft gegeven dat voldaan is aan de strekking van art. 8:42 Awb Pro (5.15). Cassatie kan naar mijn mening wel achterwege blijven omdat belanghebbende niet duidelijk maakt wat het belang is bij cassatie (5.16-5.18).
onderdeel 6.Dit middel kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. De Rechtbank heeft in dit geval beslist om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om het griffierecht te vergoeden. Dat stond de Rechtbank vrij en behoefde geen nadere motivering.
ongegrondte verklaren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De heffing van leges
3.Het geding in cassatie
4.Middel I: (het moment van) openbaar maken van de uitspraak
a fortioriniet tot cassatie kan leiden.
5.Middel II: het (niet-)overleggen van de gemeentebegroting
Oordeel Hof
naastde wel overgelegde stukken. Uit rov. 4.6 volgt vervolgens ook overigens geenszins dat het Hof niet is uitgegaan van de opvatting dat de gehele gemeentebegroting een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat moet worden overgelegd, maar slechts dat naar het oordeel van het Hof de stelling van belanghebbende feitelijke grondslag mist. Dat laatste wil zeggen: de stelling mist feitelijke grondslag voor zover zij inhoudt dat de heffingsambtenaar heeft nagelaten de gehele gemeentebegroting over te leggen. Kortom, naar mijn mening gaat het Hof wél uit van dezelfde opvatting als die van belanghebbende, namelijk dat de gehele gemeentebegroting een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Samenhangend: de feitelijke grondslag waarnaar het Hof verwijst is volgens mij niet de door belanghebbende aangehaalde passage, maar zijn de feiten die het Hof noemt in de laatste twee zinnen van rov. 4.4, namelijk dat – kort gezegd – de heffingsambtenaar de gemeentebegroting digitaal heeft doen toekomen aan belanghebbende.
“Voorgeschreven is bijvoorbeeld (in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeente) dat de Programmabegroting een overzicht van overhead dient te bevatten (vgl. Rechtbank Noord-Nederland 20 januari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:159). Zulks kan door het niet verstrekken van de overige delen van de Begroting niet worden gecontroleerd. Vaststaat immers dat in het wel verstrekte deel van de Begroting ter zake van de post Overhead niets dan wel onvoldoende is opgenomen”. Maar dit kan niet als de bedoelde motivering dienen. Belanghebbende voert immers niet concreet aan welke gegevens de niet-overgelegde delen van de gemeentebegroting wél bevatten, maar slechts dat niet kan worden gecontroleerd of de gemeentebegroting bepaalde gegevens al dan niet bevat.
6.Middel III: het vergoeden van griffierecht
eerstedwangsombesluit, de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht te vergoeden, ook aanleiding hadden moeten zijn om die opdracht te geven voor het griffierecht voor het beroep tegen het uitblijven van een
tweededwangsombesluit. Net zoals voor het eerstgenoemde beroep geldt, zou dat beroep achterwege kunnen zijn gebleven indien de heffingsambtenaar juist had gehandeld.