ECLI:NL:HR:2010:BM1076

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04284
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BWArt. 1:401 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt einde partneralimentatie bij samenwonen als gehuwd

In deze zaak stond de vraag centraal of de partneralimentatie eindigt wanneer de alimentatiegerechtigde samenwoont met een ander alsof zij gehuwd zijn, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW Pro. De vrouw had cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof dat deze beëindiging van de alimentatieplicht bevestigde.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof en overweegt dat de in cassatie aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtspraak dat samenwonen als gehuwd de alimentatieplicht beëindigt en wijst het beroep van de vrouw af. De uitspraak benadrukt tevens de bewijslastverdeling bij het aantonen van het samenwonen als gehuwd.

Deze beslissing geeft duidelijkheid over de toepassing van artikel 1:160 BW Pro en de gevolgen voor partneralimentatie bij gewijzigde samenlevingsvormen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat partneralimentatie eindigt bij samenwonen als waren zij gehuwd.

Uitspraak

18 juni 2010
Eerste Kamer
08/04284
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. M.S. van Muiden, thans mr. M.M. van Asperen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 279213/FA RK 06-7592 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 juni 2007,
b. de beschikking in de zaak 105.011.868/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juli 2008.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2010.