ECLI:NL:HR:2010:BM1675

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00322
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FaillissementswetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging toepassing schuldsanering wegens niet-naleving informatie- en afdrachtplicht en ontstaan nieuwe schulden

In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) centraal. De rechtbank 's-Gravenhage had op 29 oktober 2009 een vonnis gewezen waarin de toepassing van de schuldsanering werd beëindigd op grond van niet-naleving door de schuldenaar van zijn informatieplicht en afdrachtplicht zoals bedoeld in artikel 350 lid 3 van Pro de Faillissementswet.

Het gerechtshof te 's-Gravenhage bevestigde dit oordeel in zijn arrest van 12 januari 2010. De schuldenaar had bovenmatige nieuwe schulden laten ontstaan, wat eveneens een grond vormde voor beëindiging van de regeling. Tegen dit arrest stelde de schuldenaar beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering.

Uitspraak

18 juni 2010
Eerste Kamer
10/00322
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. de Boorder.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 08/259 R van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2009,
b. het arrest in de zaak 200.047.493/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 januari 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2010.