ECLI:NL:HR:2010:BM2501
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep wegens niet-indienen schriftuur houdende middelen
Op 15 juni 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 april 2008. Verdachte had beroep in cassatie ingesteld, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de termijn een schending is van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaart zij verdachte niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, en uitgesproken op 15 juni 2010. Dit betekent dat het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk is verklaard en het arrest van het gerechtshof daarmee in stand blijft.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.