ECLI:NL:HR:2010:BM4991

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02418
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 231 SrArt. 326 SrArt. 358 SvArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en beslissing op verweer dagvaarding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld voor het overhandigen en gebruiken van een vals Portugees paspoort. Het verweer dat de dagvaarding nietig zou zijn wegens overlap in de tenlastelegging werd door het hof verworpen, maar het verkorte arrest bevatte geen gemotiveerde beslissing hierover. De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim niet tot cassatie leidt omdat het verweer geen nietigheid van de dagvaarding oplevert.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden doordat stukken te laat werden ingediend. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden en drie weken.

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en vermindert deze, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen. Hiermee wordt de rechtspraak over motivering van beslissingen op verweren en de toepassing van de redelijke termijn bevestigd.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met drie maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

13 juli 2010
Strafkamer
nr. S 08/02418
ABG/ES
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 mei 2008, nummer 23/006665-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet in het verkorte arrest, maar eerst in de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, heeft beslist op het verweer dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard.
2.2.1. Blijkens de inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
"1. zij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1], althans een medewerker van de Belastingdienst Amsterdam, en/of de Belastingdienst Amsterdam te bewegen tot de afgifte van een officieel schrijven/document (met daarop een sofinummer vermeld), in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan voornoemde [betrokkene 1], althans aan een medewerker van de Belastingdienst Amsterdam, een vals en/of vervalst (portugees) paspoort (op naam van [verdachte] en met paspoortnummer [A000001]) heeft overhandigd en/of gegeven;
(artikel 326 juncto Pro 45 Wetboek van Strafrecht)
2. zij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Amsterdam in het bezit was en/of gebruik gemaakt heeft van een (Portugees) paspoort (op naam van [verdachte] en met paspoortnummer [A000001]), in elk geval van een reisdocument, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het voornoemde paspoort op naam stond van [betrokkene 2] en voorzien was van een pasfoto van haar, verdachte, en/of (daarbij) het voornoemde paspoort afwijkend was van een origineel (Portugees) paspoort wat betreft de kleur en/of de detaillering en/of het basismateriaal en/of de druktechnieken en/of de beveiligingstechnieken;
(artikel 231 wetboek Pro van Strafrecht)."
2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2008 heeft de raadsman - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd:
"De inleidende dagvaarding dient nietig te worden verklaard wat het onder 1 tenlastegelegde feit betreft, aangezien een gedeelte van dit feit tevens in het onder 2 tenlastegelegde feit wordt tenlastegelegd, te weten het gebruik maken van een vals paspoort."
2.2.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt het volgende in:
"Ten onrechte is in het verkorte arrest niet opgenomen de beslissing op een uitdrukkelijk voorgedragen verweer zoals dat is weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 15 mei 2008. Deze omissie moet worden betreurd. Aangenomen moet worden dat het hof dit verweer -dat door de raadsman kennelijk in het verkeerde vat is gegoten- slechts had kunnen verwerpen. Immers, het feit dat op de inleidende dagvaarding onder 2. ten laste is gelegd is geënt op het misdrijf van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het op die dagvaarding onder l. ten laste gelegde feit is geënt op artikel 326 van Pro dat wetboek. Gelet op de verschillende (rechts)belangen die deze bepalingen beogen te beschermen staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de aan de verdachte verweten gedragingen in de sleutel van twee feiten aan hem wordt verweten. Overigens voldoen de ten laste gelegde feiten aan de eisen van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering."
2.3. Het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven verweer is een verweer waarop het Hof ingevolge art. 358, derde en vijfde lid, in verbinding met art. 415 Sv Pro op straffe van nietigheid in het verkorte arrest uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing had moeten geven. Nu dat arrest zodanige beslissing niet inhoudt, is het middel terecht voorgesteld. Dat verzuim behoeft in het onderhavige geval echter niet tot cassatie te leiden, nu het Hof het verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien het aangevoerde niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. De klacht is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.
3.3 Het middel kan voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 juli 2010.