Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof mede heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de in de zaken tegen de medeverdachten op 1 juni 2018 gehouden terechtzitting in hoger beroep.
tweede middelklaagt dat art. 326 Sv Pro en/of op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften zijn geschonden, doordat de griffier niet op de in art. 326 Sv Pro voorgeschreven wijze in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening heeft gehouden van al hetgeen met betrekking tot de zaak is voorgevallen.
uitsluitendproces-verbaal houdt. Op grond van die bepaling moet
ten minsteaantekening worden gehouden van de in acht genomen vormen, hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen (lid 1) en de zakelijke inhoud van verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachten in de zaak (lid 2), maar een verbod op het vermelden van meer dan dat, leest zij niet in die bepaling, zolang maar voldoende duidelijk is óf iets op de desbetreffende zaak betrekking heeft en de hoedanigheid van de ter terechtzitting aanwezige personen kenbaar is. Eerder al, in mijn conclusies van 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:930 en ECLI:NL:PHR:2019:990, heb ik mij bij de opvatting van mijn ambtgenoot aangesloten omdat ook ik van mening ben dat het enkele feit dat het proces-verbaal aantekening bevat van hetgeen (ook) in de zaken van de medeverdachten is voorgevallen, geen nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg heeft. In de hier genoemde zaken deed de Hoge Raad het cassatiemiddel telkens af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
derde middelklaagt dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 358, derde lid, Sv heeft nagelaten te responderen op het in hoger beroep gevoerde verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 meer en nog meer subsidiair tenlastegelegde feit nietig is. Het
vierde middelklaagt eveneens dat het hof heeft verzuimd te responderen op een verweer dat tot nietigheid van de dagvaarding strekt, maar nu met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
(PROD 2)
allerlei uitgaven, kosten welke niet werkelijk bestaan of niet op de bedrijfsvoering van [A] betrekking hebben of kunnen hebben en in ieder geval niet conform de doelstelling zijn aangewend, terwijl een deugdelijke verantwoording daarvoor ontbreekt.” maar waar de officier van justitie nu precies op doelt is mij niet duidelijk. Dat klemt nog eens te meer, nu het (gelet op de subsidiaire tenlastelegging) kennelijk niet alleen om gelden van [A] maar ook om gelden van [C] gaat. Ik houd de tenlastelegging onder feit 2 dan ook voor nietig.”
FEIT 1 MEER EN NOG MEER SUBSIDIAIR: VRIJSPRAAK
126. Zoals reeds uitvoerig betoogd voorzag het prospectus en de voorwaarden waaronder de obligaties werden uitgegeven, in een financiering binnen concern-verband. Deels aan [C] , deels aan [F] deels aan andere vennootschappen.
127. In de periode dat [verdachte] betrokken was bij [A] zijn de ingelegde gelden ook belegd conform hetgeen in het prospectus staat vermeld: voor met name in company-financieringen. Mitsdien is in de tijd dat [verdachte] betrokken was bij [A] , over deze gelden niet als heer en meester beschikt en is geen sprake geweest van verduistering.
128. Dat geldt nog eens te meer nu [A] (ten tijde van [verdachte] ) steeds bij machte is geweest aan haar verplichtingen jegens de obligatiehouders te voldoen. Toen in 2008 dat echter een probleem bleek te worden en [verdachte] de anderen niet 'meekreeg' heeft [verdachte] zich van hen gedistantieerd.
134. De telastelegging wordt er daarbij in het geval van [verdachte] nog eens te meer onduidelijk op doordat volgens de dagvaarding [verdachte] zich gedurende een periode van maar liefst bijna 8 jaar hiermee bezig zou hebben gehouden, en zich zelfs zou uitstrekken tot het tijdvak dat [verdachte] geen enkele bemoeienis meer had met [A] en [C] .
135. Welke witwas-gedragingen van [verdachte] en de medeverdachten de officier van justitie nu aan [verdachte] verwijt is hem totaal onduidelijk. Hij kan dan ook niet inhoudelijk verweer voeren tegen dit telastegelegde feit. De dagvaarding dient dan ook nietig te worden verklaard.”
generiekverzoek tot herhaling en inlassing van de gehele pleitnota op voorhand heeft ingestemd. Wel begrijp ik de brief van de zittingsgriffier van 23 mei 2018 zó, dat het hof ter beperking van de zittingsduur in hoger beroep op voorhand heeft ingestemd met verwijzing naar in eerste aanleg gevoerde specifieke verweren. Of begrijpelijk is dat het hof een betoog van de verdediging waarin wordt verwezen naar het in eerste aanleg gevoerde verweer niet heeft opgevat als een responsieplichtig verweer, moet derhalve in het onderhavige geval mijns inziens wel mede worden beoordeeld in het licht van de bedoelde brief van de zittingsgriffier en de daarin aangekondigde welwillendheid ten opzichte van verwijzingen naar eerdere stukken.
nietanders dan door misdrijf onder zich hadden, zulks zou leiden tot vrijspraak in plaats van tot nietigheid van de dagvaarding.
4.1 Geldigheid van de dagvaarding
Daarnaast is het onder feit 2 ten laste gelegde integraal nietig omdat de tenlastelegging met betrekking tot dit feit onvoldoende duidelijk is.
[…]
feit 2is primair aan verdachte het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van in totaal € 27.425.676,-, althans € 11.969.762,-, althans € 492.913,81, althans één of meer geldbedrag(en) ten laste gelegd. Subsidiair wordt hem ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen feitelijk leiding/opdracht heeft gegeven aan/tot (gewoonte)witwassen door [A] en/of [C] van een geldbedrag van in totaal € 27.425.676,-, althans € 11.969.762,-, althans één of meer geldbedrag(en).
Feit 1 meer subsidiair: verduistering
“De algemene kosten hebben betrekking op de exploitatie van [E] en [F] . Hieronder vallen kosten als: salarissen, managementvergoeding, kosten van ING-bank, de bewaarder, etc... Om deze kosten te betalen wordt er maandelijks 0,2% van het netto belegd vermogen door [A] aan [C] / [E] betaald. (exclusief het belegd hypothecair vermogen).
“Algemene kosten zijn onder meer directiebeloningen, personeelskosten, de kosten van accountantscontrole, de kosten van fiscaal en juridisch adviseurs, de kosten voor de boekhouding en archivering, de kosten verbonden aan het opstellen en publicatie jaar- en halfjaarverslagen, kantoorkosten, kosten van drukwerk en telefoonverkeer, automatiseringskosten, de kosten van beheer en bewaring, alsmede de kosten die aangewezen effectengiro’s in rekening brengen. De algemene kosten van [A] en [F] komen voor rekening van de vennootschap waarop de kosten betrekking hebben.
“dat de te vergoeden rente op 4,5%-9% winstdelende obligaties [A] praktisch geheel is gebaseerd op cashflow van de vastgoedinvestering.
“De te vergoeden rente van 9% is geheel gebaseerd op cashflow (huurstroom), en niet op prognose rendement bij verkoop van onroerend goed.”
“Blijkens het halfjaarbericht 2007 van [A] zet [A] de door middel van de in het prospectus van [A] omschreven obligaties ("Obligaties") verkregen middelen uitsluitend uit ten behoeve van het vastgoedbedrijf van [F] (" [F] "), een 100% dochtermaatschappij van [A] .”
Jaar Exploitatie Vaste rente Hypotheekrente (C) A – B – C
opbr Vastgoed (A) obl Houders (B)
2008 € 1.260.146 € 897.017 € 863.431 € 500.302 -/-
vijfde middelklaagt dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan “het begrip ‘verduistering’”, althans zou hebben verzuimd te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat van verduistering geen sprake was.
zesde middelklaagt dat het hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk “voorgedragen” standpunt dat het prospectus inhield dat ingelegde gelden onder meer werden aangewend voor intra-company-leningen, hetgeen (aldus de steller van het middel) ook is gebeurd.
Doorlenen12. Doorlenen binnen groepsverband van door obligatiehouders ingelegde gelden is toegestaan. Dit berust op een vrijstelling van de WTK. Dit doorlenen is ook gebruikelijk bij dergelijke fondsen. [betrokkene 1] , die [A] vaktechnisch begeleidde, repareerde in 2007 ook een administratieve onregelmatigheid, die uiteindelijk leidde tot een verlegging van de route van het lenen.
13. De strafzaak richt zich op [A] . Dat is op zich ook begrijpelijk. Daardoor lijkt echter wel één activiteit van [C] zodanig te worden belicht, dat een verkeerd beeld dreigt te ontstaan. [C] was de moeder van [A] . [A] was de eerste activiteit van [C] . Het was de bedoeling dat [C] ook andere activiteiten zou verrichten en dat deze activiteiten ook in de [C-groep] - als aan [A] - gelieerde activiteiten - zouden worden ondergebracht.
14. In het prospectus (en ook meerdere malen in de samenvatting) staat ook expliciet vermeld dat het verstrekken van leningen aan groepsvennootschappen één van de
statutaire doelenvan [A] is, dat het
doel van de emissieis om zowel voor haar eigen ondernemingsactiviteiten, als die van de andere groepsvennootschappen, waaraan krediet verleend wordt, funding aan te trekken. Daar heeft het prospectus dan ook nimmer een misverstand over laten bestaan!
15. Het prospectus bevat de volledige informatie, op basis waarvan de inleg moet worden gebaseerd. Ook op het inschrijvingsformulier worden de obligatiehouders er nog eens op gewezen, dat zij inschrijven
“onder de voorwaarden van het prospectus d.d. 8 december 2006 (...)”en dat zij door het ondertekenen van het inschrijvingsformulier verklaren kennis te hebben genomen van het prospectus. Dat dit prospectus ook goed moet worden gelezen en dat alleen aan de tekst van het prospectus een allesbepalende betekenis moet worden toegekend blijkt uit een vonnis van de Rechtbank Overijssel in een civiele zaak tegen [A] .”
Feitelijke leidinggevenNaar vaste jurisprudentie is van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging sprake indien:
1. de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en
Hieruit volgt dat niet alleen statutaire bestuurders van een rechtspersoon feitelijke leiding kunnen geven aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, maar ook organisatorisch ondergeschikte personen en dat dat leiding geven ook kan bestaan uit een nalaten.
Voornoemd nalaten is alleen strafbaar indien de verdachte bevoegd was maatregelen te nemen en hij ook redelijkerwijs daartoe gehouden was. Deze bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht en het tevens tot de taak van de verdachte behoorde in te grijpen. [23] Uit het dossier blijkt dat verdachte op 9 oktober 2006 via zijn beheersmaatschappij [K] statutair directeur is geworden van [C] en dus indirect bestuurder van [A] . Daarnaast wordt verdachte in de prospectus van 2006 als financieel directeur genoemd. Tijdens de vergadering van 12 december 2008 heeft verdachte aangegeven aan de andere directeuren hoe de financiële huishouding moest worden geherstructureerd. Toen zij daar niet mee akkoord gingen heeft verdachte zijn conclusie getrokken en heeft zich per 12 december 2008 laten uitschrijven als bestuurder van [C] bij de Kamer van Koophandel werkzaamheden voor [C] is gaan verrichten.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte als bestuurder van [A] in de periode van 20 augustus 2006 tot 12 december 2008 feitelijke leiding heeft gegeven aan deze vennootschap.
Feitelijke leidinggevenNaar vaste jurisprudentie is van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging sprake indien:
1. de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en
Hieruit volgt dat niet alleen statutaire bestuurders van een rechtspersoon feitelijke leiding kunnen geven aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, maar ook organisatorisch ondergeschikte personen en dat dat leiding geven ook kan bestaan uit een nalaten.
Voornoemd nalaten is alleen strafbaar indien de verdachte bevoegd was maatregelen te nemen en hij ook redelijkerwijs daartoe gehouden was. Deze bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht en het tevens tot de taak van de verdachte behoorde in te grijpen. [24] Uit de uittreksels van de kamer van koophandel blijkt dat verdachte van 9 oktober 2006 tot en met 12 december 2008 bestuurder was van [C] .
zevende middelbehelst in samenhang met de toelichting gelezen de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het hof in het midden heeft gelaten of het bewezen acht dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verduistering door te handelen dan wel door nalaten. Het
tiende middelbevat in samenhang met de toelichting gelezen de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het hof in het midden heeft gelaten of het bewezen acht dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het gewoontewitwassen door te handelen dan wel door na te laten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
NJ2016/375, m.nt. Wolswijk heeft de Hoge Raad ter verduidelijking van het beslissingskader te dier zake en mede aan de hand van zijn eerdere rechtspraak opmerkingen gemaakt over strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de gedragingen die het feitelijke leidinggeven behelzen en het onderscheid tussen actief en passief feitelijke leidinggeven het volgende (met weglating van de voetnoten) overwogen:
Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
bewezenacht dat de verdachte zelf in zodanige mate in actieve zin de hand in de feiten heeft gehad dat reeds om die reden strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt aangenomen, alhoewel het ook niet uitsluit dat dit in werkelijkheid wel het geval is geweest. Dat het hof dat niet bewezen acht, staat volgens het hof aan een veroordeling niet in de weg omdat de verdachte
ten minsteheeft nagelaten maatregelen te treffen ter voorkoming en/of beëindiging van de verboden gedragingen, terwijl hij daartoe wel bevoegd en eveneens redelijkerwijs was gehouden. Feitelijke leidinggeven door nalaten maatregelen te treffen, acht het hof dus bewezen (aldus versta ik de bestreden uitspraak). Beide middelen missen zo bezien feitelijke grondslag.
achtste middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het uitdrukkelijk “voorgedragen” standpunt dat de verdachte niet in staat was maatregelen te treffen ter voorkoming en/of beëindiging van de verboden gedragingen en dus ook niet kan worden aangemerkt als feitelijke leidinggever aan die gedragingen.
negende middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair en behelst slechts de klacht dat, nu naar het oordeel van de verdediging in de periode van 20 augustus 2006 tot en met 12 december 2008 geen belegde geldbedragen zijn verduisterd, er geen sprake van (gewoonte)witwassen kan zijn, aangezien dan het misdrijf wegvalt waaruit de gelden afkomstig zouden zijn (naar ik begrijp: bij een eventuele vernietiging door de Hoge Raad van de veroordeling van de verdachte ter zake van feit 1 meer subsidiair).
namens de benadeelde partij voorgestelde middelklaagt dat de beslissing van het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 47.518,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
[...]
[...]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
uitsluitendheeft gebaseerd op de mogelijkheid dat nog gelden aan de benadeelde partij worden uitgekeerd, berust het mijns inziens op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De overwegingen van het hof moeten mijns inziens zó worden begrepen dat het de bedoelde omstandigheid heeft betrokken in zijn oordeel over de belasting die de vordering voor het strafgeding oplevert.
NJ2018/475, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad de bakens verzet ten aanzien van de ambtshalve cassatie vanwege het intreden van de vervolgingsverjaring. [30] De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 3.1. van dat arrest zijn vaste rechtspraak voorop dat de rechter ambtshalve verplicht is om op de voet van art. 348 Sv Pro onder meer de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te onderzoeken en van dit onderzoek in vier van elkaar te onderscheiden gevallen in zijn uitspraak blijk te doen geven. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
3.4. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.5. De Hoge Raad zal daarom de vraag laten rusten of in het onderhavige geval de verjaring voor het indienen van de schriftuur was voltooid.”
onderhavigezaak is daarmee niet alles gezegd. Enerzijds is in casu geen sprake van een verjaring die vóór de indiening van de schriftuur reeds (volledig) was voltooid, terwijl aan de andere kant aan de raadsman die de verdachte in de cassatieprocedure bijstaat tot op zekere hoogte kan worden tegengeworpen dat hij over de verjaring niet heeft geklaagd. Aldus rijst de vraag hoe de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie zal worden ingekleurd indien op een – al dan niet impliciet – cumulatieve tenlastelegging opgenomen feiten verjaren ná de indiening van de cassatieschriftuur, terwijl over het verjaren van andere feiten op die tenlastelegging vóór de indiening van de schriftuur niet is geklaagd.
NJ2019/230, m.nt. Keijzer stelt mijn ambtgenoot Aben dat het misdrijf van art. 328ter Sr met als pleegperiode 8 juni 1999 tot en met 30 januari 2009 in elk geval gedeeltelijk is verjaard. Nu de absolute verjaringstermijn naar zijn oordeel reeds was aangevangen in 2011 en in de schriftuur daarover niet werd geklaagd, schonk hij hieraan enkel in een voetnoot aandacht. De Hoge Raad besteedde in het op de conclusie volgend arrest aan de verjaring geen overwegingen. Daarmee komt de vraag op of dat als instemming met het standpunt van mijn ambtgenoot kan worden begrepen. Ik merk in dat verband op dat de verjaringstermijn van het misdrijf van art. 328ter, eerste lid, (oud) Sr volgens de Hoge Raad niet al aanvangt bij het aannemen van een gift, maar eerst na het in strijd met de goede trouw verzwijgen ervan tegenover de werkgever, welk verzwijgen moet worden aangemerkt als één voortdurend omissiedelict. [33] Het kan dus zo zijn dat de Hoge Raad in die zaak heeft geoordeeld dat het recht tot strafvervolging van het tussen 8 juni 1999 en 30 januari 2009 (meermalen) gepleegde feit in het geheel nog niet was verjaard toen hij op 2 april 2019 arrest wees, omdat de aanvang van de verjaringstermijn op een later dan het door de A-G aangegeven moment was gelegen. Mijn ambtgenoot Keulen constateert in zijn conclusie vóór HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1926 eveneens dat over (een gedeelte van) de potentieel verjaarde feiten in de schriftuur kon worden geklaagd en veronderstelt dat de Hoge Raad dus niet zal ingrijpen, al betrof het een opmerking ten overvloede nadat hij reeds had geconstateerd dat van verjaring (om een andere reden) geen sprake was. Dat de Hoge Raad in de zaak niet ambtshalve ingreep, kan derhalve evenmin als een impliciet antwoord op de hier opgeworpen vraag worden beschouwd. [34]
konworden geklaagd, ambtshalve beoordeling door de Hoge Raad niet op prijs wordt gesteld. Uit het arrest van de Hoge Raad waarin hij de bakens ten aanzien van ambtshalve cassatie wegens verjaring heeft verzet, kan ik in elk geval niet opmaken dat de Hoge Raad die stap in dat arrest heeft bedoeld te nemen.