ECLI:NL:HR:2010:BM5078

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03479 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511g SvArt. 359 SvArt. 36e Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken inhoud bewijsmiddelen in ontnemingsvordering

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De betrokkene was in hoger beroep veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar het vonnis bevatte niet de inhoud van de bewijsmiddelen waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd, zoals vereist op grond van art. 511g, tweede lid, Sv en art. 359, derde lid, Sv.

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het vonnis op straffe van nietigheid de inhoud van de bewijsmiddelen moet bevatten. Omdat het hof dit vereiste niet had nageleefd, was het middel gegrond.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zodat het hoger beroep opnieuw kan worden behandeld en afgedaan met inachtneming van de wettelijke vereisten.

De uitspraak benadrukt het belang van transparantie en volledigheid in ontnemingsvorderingen, waarbij de rechter duidelijk moet maken op welke bewijsmiddelen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd.

Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

6 juli 2010
Strafkamer
Nr. 08/03479 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 juli 2008, nummer 20/002666-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, zodat het Hof die uitspraak niet had mogen bevestigen.
2.2. De door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank houdt het volgende in:
"Dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de volgende bewijsmiddelen, evenals de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het proces-verbaal nr. PL2030/06-004107 van de politie regio Midden en West Brabant, met alle daarin opgenomen processen-verbaal, alle bijlagen en alle overige daarin opgenomen en daarbij behorende stukken.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad."
2.3. Ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv en art. 359, derde lid, Sv dient de uitspraak van de rechter op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.
2.4. De door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank voldoet niet aan dit vereiste. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 juli 2010.