Conclusie
Nummer21/02062 P
Het cassatieberoep
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De klachten van het eerste, tweede en derde middel
de schikking onder de finale kwijting met de curator niet kan worden aangemerkt als een aftrekpost”. In het kader van een schikking met de curator in het faillissement van [A] B.V. heeft de betrokkene € 5.000,00 betaald ter finale kwijting van het door hem nog aan de vennootschap terug te betalen bedrag van € 39.882,09. Zodoende is er ten eerste geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel dat kan worden ontnomen. Ten tweede diende volgens de steller van het middel het schikkingsbedrag in mindering te worden gebracht op het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit bedrag is terugbetaald en zodoende niet meer als voordeel kan worden gezien.
gestelde maandelijkse vergoeding en de telefoonkosten (…) geen kosten [zijn] die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict” en dus niet als kosten in mindering kunnen worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat deze kosten wel in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. De namens de betrokkene opgevoerde kosten betreffen immers slechts een uitbreiding van de periode van de kosten zoals deze in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel door de FIOD reeds zijn meegenomen. De steller van het middel doelt daarbij, zo begrijp ik, op de aftrek van € 4.998,48 die reeds bij de bewezenverklaring van de verduistering heeft plaatsgevonden op het totale bedrag van € 78.880.57 dat de betrokkene van de bankrekening van [B] BV (nr. [rekeningnummer 1] ) op zijn privérekening heeft laten storten.
Het beoordelingskader van het eerste, tweede en derde middel
kosten die in directe relatie staan tot het delict”, zijnde de formulering waarmee de Hoge Raad de hiervoor onder (1) bedoelde voorwaarde tot uitdrukking pleegt te brengen, moeten die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd. [27] Als ik het goed zie vertolkt de Hoge Raad met de frase “
kosten die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd” de meer bedrijfseconomisch georiënteerde begrippen ‘marginale kosten’, ‘grenskosten’ of ‘additionele kosten’. Het gaat in die gevallen in essentie om het bedrag waarmee de totale (variabele) kosten toenemen door een verhoging van de productie, in dit geval door het begaan van een extra delict. Vaste lasten, waarvan de omvang constant van aard is en waarvan de hoogte dus niet samenhangt met het volume van de productie, vallen daaronder in beginsel niet, ook niet een evenredig deel daarvan. [28]
voor zover die zijn voldaan”. Het gaat per saldo dus om de eis dat de betrokkene het bedrag van de vordering c.q. verplichting daadwerkelijk aan de benadeelde derde [30] c.q. aan het slachtoffer heeft betaald.
De beoordeling van het eerste, tweede en derde middel
nietzijn bespaard) als de verduistering niet was begaan.
Met inachtneming van het door de rechtbank onherroepelijk bewezen verklaarde bedrag van € 73.882,09 (€ 78.880.57 minus € 4.998,48), (…).”
volledigresterende bedrag dat de betrokkene eigenhandig heeft verduisterd (na aftrek van de terugbetaling van € 34.000,00 bedraagt dit nog € 39.882,09) op het ontnemingsbedrag in mindering dient te worden gebracht. ’s Hofs oordeel hierover is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.