ECLI:NL:HR:2010:BM6077
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van certificaathouders in onverdeelde nalatenschap tot het doen van enquêteverzoek
In deze zaak stond centraal of houders van certificaten die deel uitmaken van een onverdeelde nalatenschap bevoegd zijn om een enquêteverzoek in te dienen bij de ondernemingskamer. De nalatenschap betrof certificaten van aandelen in een vennootschap, waarbij de vier erfgenamen ieder voor 25% deelgenoot waren. De vraag was of alleen de executeur-testamentair bevoegd was tot het doen van een dergelijk verzoek, of dat de erfgenamen gezamenlijk deze bevoegdheid hadden.
De ondernemingskamer oordeelde dat de economische certificaathouders, ook al zijn zij deelgenoten in een onverdeelde nalatenschap, gelijkgesteld moeten worden met certificaathouders als bedoeld in artikel 2:346 BW Pro en gezamenlijk bevoegd zijn tot het doen van een enquêteverzoek. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat het enquêterecht is gericht op de bescherming van de kapitaalverschaffer en dat het doen van een enquêteverzoek geen daad van beheer is die exclusief aan de executeur toekomt.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat een eindbeschikking waarbij op grond van artikel 2:350 BW Pro een enquêteverzoek wordt toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit is in overeenstemming met artikel 288 Rv Pro en staat niet in de weg aan een spoedige aanvang van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van [eiseres] en veroordeelde haar in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat houders van certificaten in een onverdeelde nalatenschap gezamenlijk bevoegd zijn tot het doen van een enquêteverzoek en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.