ECLI:NL:HR:2013:BY7833
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid middellijk aandeelhouder tot doen van enquêteverzoek in Nederlandse dochtervennootschap
In deze zaak stond centraal of een aandeelhouder van een Hongkongse vennootschap, die op haar beurt alle aandelen houdt in een Nederlandse besloten vennootschap (Chinese Workers B.V.), bevoegd is een enquêteverzoek in te dienen over het beleid en de gang van zaken van die Nederlandse dochtervennootschap.
De ondernemingskamer oordeelde dat de aandeelhouders van de buitenlandse moedermaatschappij, waaronder de verzoekster, als economisch gerechtigden van de Nederlandse dochtervennootschap moeten worden aangemerkt. Hierdoor werd de verzoekster gelijkgesteld met een aandeelhouder en werd zij ontvankelijk verklaard in haar enquêteverzoek.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat het enquêterecht volgens vaste rechtspraak ook geldt voor verschaffers van risicodragend kapitaal met een eigen economisch belang, gelijkgesteld aan aandeelhouders. Het feit dat de moedermaatschappij buiten Nederland is gevestigd en dat de verzoekster niet rechtstreeks aandelen houdt in de dochtervennootschap, doet hieraan niet af.
De Hoge Raad veroordeelde de verzoekers in de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee de bevoegdheid van de middellijk aandeelhouder tot het indienen van het enquêteverzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de middellijk aandeelhouder bevoegd is tot het indienen van het enquêteverzoek en wijst het cassatieberoep af.