ECLI:NL:HR:2010:BM8150
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting: aftrekbaarheid lasten winstrechten aan oprichters en aandeelhouders
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een boete. Na bezwaar werd de aanslag verminderd tot nihil en de boete vervallen verklaard, maar het Hof verklaarde het beroep tegen deze uitspraken ongegrond. De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de aftrekbaarheid van lasten verbonden aan winstrechten die aan oprichters en aandeelhouders zijn toegekend. Het Hof oordeelde dat de lasten niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht omdat de echtgenoten, als oprichters/aandeelhouders, rechtstreeks belanghebbenden zijn en niet als derden handelen. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 9 lid 1 letter Pro c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Hoge Raad bevestigt dat deze bepaling ook geldt wanneer transacties zakelijk zijn en verwerpt het verweer dat de lasten toch aftrekbaar zouden moeten zijn. Ook het bezwaar tegen de verrekening van verliezen met de winst wordt afgewezen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof standhoudt.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest bevestigt de strikte toepassing van artikel 9 lid 1 letter Pro c Wet Vpb 1969 bij winstrechten aan oprichters en aandeelhouders.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de lasten ter zake van winstrechten aan oprichters en aandeelhouders zijn niet aftrekbaar.