ECLI:NL:HR:2010:BM9144
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt specificatievereiste voor vergoeding werkruimte in loonbelasting
Belanghebbende, een vennootschap met twee werknemers, waaronder de directeur en diens echtgenote, ontving een naheffingsaanslag loonbelasting over de periode 2001-2005 vanwege vergoedingen voor werkruimte in hun woning. De rechtbank vernietigde de boetebeschikking en handhaafde de naheffingsaanslag, maar het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beperkte de naheffingsaanslag.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat de vergoedingen gelijkelijk toekwamen aan de directeur en diens echtgenote en dat deze uitsluitend betrekking hadden op de werkruimte. Tevens was voldaan aan de eis van artikel 47 Uitvoeringsregeling Pro loonbelasting 2001 dat vergoedingen per kostencategorie gespecificeerd moeten zijn.
De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd, maar wel griffierecht geheven. Hiermee is de specificatievereiste voor werkruimtevergoedingen in de loonbelasting bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.