ECLI:NL:HR:2010:BM9435
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging en beëindiging alimentatieverplichting na scheiding
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van een overeenkomst inzake levensonderhoud en beëindiging van alimentatieverplichting tussen partijen na scheiding. De man betwistte de behoefteberekening van de vrouw en stelde dat de alimentatie slechts geïndexeerd hoefde te worden sinds 1993. Het hof oordeelde dat de behoefte van de vrouw vaststond en dat de man bij het sluiten van het addendum in 2000 op de hoogte was van haar inkomen en arbeidssituatie.
De Hoge Raad bevestigt dat de vervaltermijn van artikel 1:403 BW Pro slechts van toepassing is indien alimentatie nog niet eerder bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst is vastgesteld. Dit betekent dat bij verzoeken tot wijziging van reeds vastgestelde alimentatie de vervaltermijn niet geldt. De uitspraak van het hof om de alimentatieverplichting vanaf 1 november 2000 te beperken op grond van deze vervaltermijn wordt als onjuist beschouwd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking van het hof dat de werking van de alimentatieverplichting begrenst door de vervaltermijn van artikel 1:403 BW Pro en verwijst de zaak voor verdere behandeling. Het incidenteel cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen, evenals het principaal beroep tegen andere beschikkingen. De Hoge Raad verklaart de beschikking van het hof uitvoerbaar bij voorraad op grond van artikel 32 Rv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de beschikking dat de alimentatieverplichting beperkt door de vervaltermijn en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.