ECLI:NL:HR:2010:BN6240
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- C.E. Drion
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afweging bij kennelijk onredelijk ontslag volgens art. 7:681 lid 2 BW
In deze zaak stond de vraag centraal of het ontslag van eiser kennelijk onredelijk was in de zin van artikel 7:681 lid Pro 2, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Eiser had bij de kantonrechter en het gerechtshof tevergeefs betoogd dat het ontslag onredelijk was vanwege de gevolgen voor hem. Het gerechtshof oordeelde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en wees het beroep af.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en overweegt dat de klachten van eiser niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad benadrukt dat het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 BW Pro inhoudt dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden afgewogen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met uitzondering van de kosten aan de zijde van de wederpartij, die nihil worden begroot.
Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag wordt niet als kennelijk onredelijk beoordeeld.