ECLI:NL:HR:2010:BN8215
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gewoonte bezit kinderpornografisch materiaal over bijna drie jaar
De verdachte werd door het hof bewezenverklaard dat hij gedurende de periode van 1 juni 2004 tot en met 3 april 2007 een gewoonte had gemaakt van het bezit van kinderpornografische afbeeldingen en gegevensdragers. Hij had ongeveer 41.213 kinderpornografische multimediafiles gedownload, opgeslagen en bewaard op twee harde schijven en honderden dvd's. Het hof concludeerde uit de omvang en systematiek van de verzameling dat sprake was van een gewoonte in de zin van artikel 240b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De bewijsmiddelen bestonden onder meer uit verklaringen van de verdachte, politieprocessen-verbaal met gedetailleerde omschrijvingen van de aangetroffen bestanden en de georganiseerde wijze waarop deze waren opgeslagen. De verdachte voerde aan dat hij de afbeeldingen verzamelde met het oog op een journalistiek artikel om de problematiek van gratis verspreiding van kinderporno aan het licht te brengen, maar dat hij niet tot publicatie was gekomen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het cassatiemiddel dat het hof ten onrechte een gewoonte had bewezenverklaard, faalde. Het beroep in cassatie werd verworpen. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte voor het maken van een gewoonte van het bezit van kinderpornografisch materiaal in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezit van kinderpornografisch materiaal over bijna drie jaar en verwerpt het cassatieberoep.