Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende toereikend gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal.
bezitvan kinderpornografisch materiaal heb ik mij nog afgevraagd of het überhaupt mogelijk is om daarvan een gewoonte te maken. Het bezit als zodanig vergt geen specifieke handeling die op zichzelf voor herhaling vatbaar is. Bezit is per definitie voortdurend. Het vergt vooral een nalaten om van het materiaal afstand te doen. Het aan het bezit voorafgaande verwerven van het materiaal vereist doorgaans weer wel een actief optreden, hoewel ook dat geen wet van Meden en Perzen is. Niettemin vestigt het tweede lid van art. 240b Sr met zoveel woorden de strafbaarheid van het een (beroep of) gewoonte maken van het in het bezit hebben van bedoeld materiaal. Daarmee is het antwoord op mijn vraag gegeven. Volgens Machielse kan een individu van het bezit van kinderpornografisch materiaal een gewoonte maken vanwege de hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en de tijd die gemoeid is geweest met het aanleggen van de verzameling. [3] Mijn ambtgenoot Vellinga heeft in zijn conclusie voor NJ 2010/678 opgemerkt dat het gewoonte maken van in bezit hebben reeds zou kunnen bestaan in het bezit van verscheidene pornografische afbeeldingen of gegevensdragers met dergelijke afbeeldingen, dat de gewoonte ook kan voortvloeien uit de duur van het bezit of de wijze waarop men het bezit verworven heeft, bijvoorbeeld doordat de afbeeldingen stukje bij beetje zijn verzameld, en er dus successievelijk nieuwe afbeeldingen zijn verkregen.
aantal maandenheeft gedaan. Nu echter ook een dergelijke periode verenigbaar is met het maken van een ‘gewoonte’, terwijl de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aldaar heeft verklaard dat hij van
2000 tot 2002kinderporno heeft verzameld, meen dat ik die kennelijke vergissing in ’s hofs bewijsoverweging niet afdoet aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaarde gewoonte. Voor zover tenslotte nog, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga, wordt geklaagd dat de verdachte het materiaal niet stukje bij beetje heeft verzameld of heeft geordend, faalt het middel eveneens. Daargelaten dat ook als dat niet het geval is, er sprake kan zijn van het gewoonte maken van bezit van kinderpornografisch materiaal, heeft het hof reeds uit de duur van de periode waarin de verdachte het kinderpornografisch materiaal heeft verzameld en het feit dat hij een deel daarvan heeft gebrand op cd’s en dvd’s, kunnen afleiden dat de verdachte het materiaal stukje bij beetje heeft verzameld en heeft geordend.
tweede middelklaagt dat niet kan blijken waaraan het hof heeft ontleend dat bij het vervaardigen van afbeeldingen van deze aard “ook ander fysiek geweld zichtbaar plaatsvindt”, zoals het hof heeft overwogen in de strafmotivering.
anderfysiek geweld dan uitsluitend seksueel handelen zichtbaar was.