ECLI:NL:HR:2010:BN9281
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie tegen beslissing tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en stelde vast dat op grond van artikel 14j, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht geen rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging voor zover deze geen deel uitmaakt van een uitspraak over andere strafbare feiten.
Hierdoor was het hof terecht tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in hoger beroep gekomen en stond ook geen cassatieberoep open. De Hoge Raad bevestigde deze rechtsregel en verklaarde de veroordeelde niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 21 december 2010, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en vier raadsheren het arrest tekenden.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.