ECLI:NL:HR:2010:BO1796

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02828
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FaillissementswetArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot cassatie inzake kennisgeving WSNP-verzoek en misbruik van bevoegdheid

In deze zaak stond centraal of de griffier de gefailleerde tijdig en correct heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen 14 dagen na verzending van de brief een WSNP-verzoek in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 3 van Pro de Faillissementswet. Verzoeker stelde dat dit niet was gebeurd en dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid op grond van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

De procedure begon bij de rechtbank Utrecht, waarna het gerechtshof Amsterdam het geschil behandelde en een arrest wees. Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. Verzoeker reageerde hierop, maar zijn brief werd terzijde gelegd omdat deze niet via een advocaat was ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoeker niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, aangezien de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

17 december 2010
Eerste Kamer
10/02828
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1.UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,
gevestigd te Amsterdam,
2. COLLEGE ZORGVERZEKERINGEN,
gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en UWV c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 10/264 F van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2010,
b. het arrest in de zaak 200.067.528 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
UWV c.s. hebben verweer gevoerd.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor UWV c.s. mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
[Verzoeker] heeft bij brief van 1 november 2010 met bijlagen op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft deze brief terzijde gelegd nu deze niet door tussenkomst van een advocaat is toegezonden.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 december 2010.