ECLI:NL:HR:2010:BO1801

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02492
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 BWArt. 1:435 lid 4 BWArt. 1:452 lid 4 BWArt. 4:11 lid 2 BWArt. 15 Wet op belastingen van rechtsverkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming halfbroer als bewindvoerder en mentor volgens familierecht

In deze zaak stond de vraag centraal of een halfbroer gelijkgesteld kan worden aan een broer in de zin van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek die de voorkeur regelen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor. De vader van de betrokkene, verzoeker tot cassatie, stelde dat een halfbroer niet als broer mag worden aangemerkt volgens art. 1:435 lid 4 en Pro art. 1:452 lid 4 BW Pro.

De rechtbank en het hof hadden reeds beslist dat de halfbroer benoemd kon worden tot bewindvoerder en mentor. Het hof overwoog dat bij het ontbreken van een uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende en het ontbreken van echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen, de wettelijke voorkeur geldt voor ouders, kinderen, broers of zusters, waarbij ook halfbroers worden begrepen.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetsbepalingen broers en zusters omvatten die in de zijlijn in de tweede graad bloedverwanten zijn, waaronder halfbroers en -zusters. Andere wetsartikelen zoals art. 4:11 lid 2 BW Pro of art. 15 Wet Pro op belastingen van rechtsverkeer doen hieraan niet af. Het beroep tot cassatie werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een halfbroer gelijkgesteld wordt aan een broer in de zin van art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW.

Uitspraak

17 december 2010
Eerste Kamer
10/02492
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Belanghebbenden in deze zaak zijn:
1. [Belanghebbende 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Belanghebbende 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Belanghebbende 3],
wonende te [woonplaats],
niet verschenen.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en belanghebbende onder 2 als [belanghebbende 2].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 332226 EJ VERZ 09-1585 van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2009 en 7 augustus 2009;
b. de beschikking in de zaak HV 200.045.940/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 maart 2010;
c. de herstelbeschikking van het hof van 11 mei 2010.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 16 maart 2010 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Geen der belanghebbenden heeft verweer gevoerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [Verzoeker] is de vader van [belanghebbende 1], [belanghebbende 2] is diens halfbroer. De beschikking van de rechtbank waarbij [belanghebbende 2] werd benoemd tot bewindvoerder over de goederen van [belanghebbende 1] en tot mentor te zijnen behoeve is door het hof bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
"3.8.3 Het hof overweegt dat de rechter verplicht is bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende te volgen. Nu [belanghebbende 1] echter geen uitdrukkelijke voorkeur heeft uitgesproken, geldt de wettelijke voorkeur. Het hof stelt vast dat [belanghebbende 1] niet is gehuwd, hij geen geregistreerd partnerschap is aangegaan en hij ook niet anderszins een levensgezel heeft. Volgens de wet wordt in dit geval dan bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder en mentor benoemd. Voor zover het hof bekend heeft [belanghebbende 1] geen kinderen en geen zussen. Nu de moeder van [belanghebbende 1] - zijnde de voormalige bewindvoerder en mentor van [belanghebbende 1] - in maart 2009 is overleden, dient het hof thans te bezien of de vader van [belanghebbende 1] - [verzoeker] - of één van de broers van [belanghebbende 1] - [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] - tot bewindvoerder kan worden benoemd of twee van hen samen of alledrie en/of tot mentor."
3.2.1 Onderdeel 1 klaagt dat het hof blijkens deze overweging heeft miskend dat een halfbroer ([belanghebbende 2]) niet is gelijk te stellen met of is aan te merken als een broer in de zin van art. 1:435 lid 4 en Pro art. 1:452 lid 4 BW Pro.
3.2.2 Het onderdeel faalt. In de hiervoor genoemde wetsbepalingen zijn met broers en zusters bedoeld zij die in de zijlijn in de tweede graad bloedverwanten van de rechthebbende dan wel de betrokkene zijn. Daartoe behoren ook halfbroers of -zusters, evenals overigens zij wier bloedverwantschap (mede) berust op het bepaalde in de tweede zin van het eerste lid van art. 1:3 BW Pro. Anders dan het onderdeel stelt, kan art. 4:11 lid 2 BW Pro noch art. 15 Wet Pro op belastingen van rechtsverkeer daaraan afdoen.
3.3 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 december 2010.