ECLI:NL:HR:2011:BM6699
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad legt prejudiciële vraag voor over btw-heffing bij ingebruikneming onroerend goed
Belanghebbende, een ondernemer die sportcomplexen met grasvelden verhuurt, verving deze grasvelden door kunstgrasvelden en verhuurde deze met btw-vrijstelling. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op omdat hij de ingebruikneming van de velden aanmerkte als een levering van goederen onder artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet OB, waarbij ook de waarde van de grond werd betrokken.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en de naheffingsaanslag, oordeelde dat artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet in strijd is met artikel 5, lid 7, letter a, van de Zesde richtlijn voor zover het beschikken over goederen die door derden zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van grond wordt belast.
De Hoge Raad stelt vragen over de uitleg van de Zesde richtlijn, met name of lidstaten btw mogen heffen bij ingebruikneming van een in opdracht vervaardigd onroerend goed inclusief de grond, ook als voor die grond geen btw-aftrek is genoten. De zaak wordt geschorst in afwachting van het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de zaak en legt een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie over de btw-heffing bij ingebruikneming van onroerend goed inclusief grond.