ECLI:NL:PHR:2011:BM6699
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de integratieheffing bij in eigen bedrijf vervaardigde onroerende goederen en de rol van terbeschikkingstelling van grond in de omzetbelasting
Deze zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 5, lid 7, onder a, van de Zesde richtlijn. Centraal staat de vraag of de integratieheffing ook van toepassing is op goederen die door derden zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van grond door de ondernemer, en of dit in strijd is met de Zesde richtlijn.
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse bepaling niet in strijd is met de richtlijn, ook wanneer goederen door derden zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond. De term 'vervaardigen' omvat ook het 'doen vervaardigen' door derden. De integratieheffing is bedoeld om concurrentieverstoringen te voorkomen tussen ondernemers die goederen zelf vervaardigen en degenen die deze kant-en-klaar aankopen.
Verder bespreekt de conclusie de maatstaf van heffing, waarbij de kostprijs van het vervaardigde goed, inclusief de waarde van zakelijke rechten zoals erfpacht, wordt betrokken. Er wordt uitgebreid ingegaan op jurisprudentie, wetsgeschiedenis en literatuur, waarbij ook de verhouding tussen integratieheffing en aftrek van voorbelasting wordt behandeld. De conclusie nuanceert de toepassing van de integratieheffing en benadrukt het belang van het neutraliteitsbeginsel in de btw-heffing.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de integratieheffing ook geldt voor goederen die door derden zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van grond en dat de maatstaf van heffing de voortbrengingskosten inclusief zakelijke rechten omvat.