ECLI:NL:HR:2011:BN9662
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verzoekt HvJ EU over heffing herzienings-btw bij levering onroerende zaak
Belanghebbende kreeg over 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd wegens onroerende zaak die aanvankelijk belast werd geleverd, maar later vrijgesteld bleek. De Inspecteur legde naheffing op aan belanghebbende op grond van artikel 12a Wet OB, omdat de leverancier te veel btw had afgetrokken.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, het Hof vernietigde deze uitspraak en de naheffingsaanslag. De Staatssecretaris stelde cassatie in. De Hoge Raad onderzocht of artikel 12a Wet OB en de Zesde richtlijn verenigbaar zijn met naheffing van de herzienings-btw bij de koper in plaats van de leverancier.
De Hoge Raad concludeerde dat artikel 12a Wet OB een uitzondering op de hoofdregel van artikel 20 AWR Pro vormt, waarbij de naheffing niet bij de leverancier maar bij de koper wordt gelegd. Dit is in lijn met de wetgever's bedoeling, ondanks dat de tekst van artikel 12a dit niet expliciet vermeldt.
De vraag of dit verenigbaar is met de Zesde richtlijn is onzeker, omdat de richtlijn niet uitdrukkelijk toestaat dat de herzienings-btw bij een ander dan de oorspronkelijke aftrekgenieter wordt geheven. Daarom verzocht de Hoge Raad het Hof van Justitie EU om uitleg over deze vraag.
De Hoge Raad schorst de procedure en wacht de uitspraak van het Hof van Justitie af voordat verdere beslissingen worden genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de heffing van herzienings-btw.