ECLI:NL:HR:2011:BO4019
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring en vernietiging schadevergoedingsmaatregel bij zedendelict
In deze zaak stond de vraag centraal of het recht tot strafvervolging voor een zedendelict, gepleegd tussen 1983 en 1987, was verjaard. De Hoge Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van twaalf jaren, die toen gold, was verstreken op 30 mei 2005, de dag waarop het slachtoffer achttien jaar werd. Omdat geen daad van vervolging vóór die datum was verricht, was het recht tot strafvervolging vervallen en verklaarde de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk.
Daarnaast werd beoordeeld of de aan verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, gebaseerd op art. 36f Sr, rechtsgeldig was. Omdat deze wet pas op 1 april 1995 in werking trad en de bewezenverklaring deels feiten betrof die vóór die datum waren gepleegd, vernietigde de Hoge Raad de schadevergoedingsmaatregel voor dat deel.
De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting van de strafoplegging en de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot de feiten na 1 april 1995. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk wegens verjaring en vernietigt de schadevergoedingsmaatregel voor feiten vóór 1 april 1995.