ECLI:NL:PHR:2025:1007
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken proces-verbaal hoger beroep in ontnemingszaak
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam van 10 maart 2009 waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd. De betrokkene stelde cassatie in tegen het verstekvonnis in hoger beroep. De Hoge Raad stelde vast dat het cassatieberoep ontvankelijk was omdat de betrokkene pas op 5 oktober 2024 kennis had genomen van het arrest en het beroep binnen de wettelijke termijn was ingesteld.
De Procureur-Generaal constateerde echter dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de uitwerking van het verkorte arrest ontbraken in het dossier en waarschijnlijk niet meer beschikbaar zijn. Hierdoor kon het cassatiemiddel niet deugdelijk worden onderzocht, omdat niet kon worden vastgesteld of de raadsman van de betrokkene gemachtigd was en of het hof adequaat had gereageerd op eventuele aanhoudingsverzoeken.
Verder werd de executieverjaring van de ontnemingsmaatregel besproken. De Hoge Raad oordeelde dat de tenuitvoerleggingstermijn nog niet was aangevangen omdat het cassatieberoep nog openstond, en dat de executieverjaringstermijn in deze zaak zestien jaar bedroeg, gebaseerd op de strafbedreigingen van de gepleegde feiten.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot ambtshalve vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting, waarbij het ontbreken van het proces-verbaal als doorslaggevend werd gezien.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt ambtshalve vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.