ECLI:NL:PHR:2011:BO4019
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens verjaring ontucht met minderjarige
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte is veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een meisje onder de twaalf jaar (feit 1) en andere zedendelicten (feit 2 en 3). Het eerste middel in cassatie betrof de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 1 wegens verjaring.
De Hoge Raad analyseert de verjaringstermijnen die van toepassing zijn, waarbij het oude recht een termijn van twaalf jaren hanteert. Door wetswijzigingen in 1989 en 2005 werd deze termijn verhoogd, maar overgangsbepalingen sloten het onderhavige feit uit van toepassing van de langere termijnen. Bovendien werd het aanvangstijdstip van de verjaring bij zedendelicten gewijzigd naar de dag na de achttiende verjaardag van het slachtoffer, waardoor de verjaringstermijn begon op 30 mei 1993 en het feit op 30 mei 2005 verjaard was.
De eerste daad van vervolging vond plaats op 5 april 2007, ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn. Daarom had het hof het OM niet-ontvankelijk moeten verklaren. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat schadevergoedingsmaatregelen opgelegd voor feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van art. 36f Sr niet in stand kunnen blijven. De overige middelen worden niet behandeld vanwege het slagen van het eerste middel. De zaak wordt vernietigd voor zover het feit 1 betreft en terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van feit 1 wegens verjaring; het arrest is vernietigd voor dat feit en de zaak is terugverwezen.