ECLI:NL:HR:2011:BO6753
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsminimum bij ontuchtige handelingen door werkgever
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de bewezenverklaring van ontuchtige handelingen door de verdachte jegens zijn tandartsassistente voldeed aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro, dat bepaalt dat een bewezenverklaring niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag berusten zonder voldoende steunbewijs.
De feiten betroffen seksuele intimidatie en ontuchtige gedragingen door de werkgever jegens de assistente gedurende een periode van enkele maanden, waaronder ongewenste aanrakingen, kusjes en bedreigingen met het verlengen van de proeftijd. Het hof had de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar beoordeeld, mede ondersteund door verklaringen van de moeder en voormalig partner van het slachtoffer, sms-berichten en telefoongesprekken.
De verdediging stelde dat de verklaring van het slachtoffer eenzijdig en onbetrouwbaar was en onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. De Hoge Raad oordeelde echter dat de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal en dat het hof zijn motivering ter zake adequaat had gegeven.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het gerechtshof in stand, waarmee de bewezenverklaring en de veroordeling werden bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vindt in ander bewijs en verwerpt het cassatieberoep.