ECLI:NL:HR:2011:BO7109
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- D.G. van Vliet
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- E.N. Punt
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Verlegging omzetbelasting bij onderhandse verkoop door curator als vorm van executie van pandhouder
In deze zaak stond centraal of de verleggingsregeling voor omzetbelasting toegepast kon worden op een onderhandse verkoop door een curator van verpande roerende zaken, waarbij de pandhouder toestemming had gegeven. De curator en de bank waren overeengekomen tot verkoop, maar er ontstond discussie over de toepassing van omzetbelasting. De belastingdienst adviseerde de verleggingsregeling toe te passen.
De bank verzocht de rechter-commissaris de toepassing van de verleggingsregeling te verbieden, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de verleggingsregeling ook van toepassing is op zogenaamde 'oneigenlijke lossing', een vorm van executie van zekerheidsrechten, en dat onderhandse verkoop door curator met toestemming van de pandhouder als een vorm van executie moet worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat de verkoop binnen het toepassingsbereik van art. 57 Faillissementswet Pro valt en dat de verleggingsregeling in overeenstemming is met de Europese richtlijn 2006/112/EG. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de bank en veroordeelde deze in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toepassing van de verleggingsregeling omzetbelasting bij onderhandse verkoop door curator als executie van pandhouder.