Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/369702/ HA ZA 21-256)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [de B.V.] verleende verstek;
- de memorie van grieven met één productie;
- de zuivering van het verstek;
- de akte wijziging partijnaam van de curator vanwege het ontslag van mr. J.E. Stadig uit zijn hoedanigheid van curator en de benoeming van mr. A.J.A.M. van Haandel tot opvolgend curator;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
1. Koper zal haar vordering van € 178.500,00 uit hoofde van geldlening middels ondertekening van de onderhavige overeenkomst verrekenen met de hierboven in de artikelen 2 a en b omschreven koopsom, zulks uit hoofde van haar aanspraken als pandhouder op de verkochte inventaris ten belope van dit bedrag. Koper is bekend met het feit dat de Belastingdienst ingevolge artikel 21 lid 2 Invorderingswet Pro een hoger pandrecht heeft op de opbrengst van de inventaris dan de pandhouder, en de curator indien de fiscale schulden in het faillissement niet uit het vrij actief zouden kunnen worden voldaan in een later stadium namens de Belastingdienst mogelijk nog afdracht van koper zal moeten vragen uit hoofde van dit hogere pandrecht van de Belastingdienst, zulks tot maximaal ten belope van het door koper krachtens de onderhavige overeenkomst ontvangen gedeelte van de koopsom ad € 178.500,00, welke koopsom volledig betrekking heeft op bodemzaken.
€ 44.866,- beloopt. Voor deze vordering geldt tevens het in art. 21 lid Pro 2, tweede volzin, Iw 1990 geregelde bodemvoorrecht.