ECLI:NL:HR:2011:BP4026
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 1 april 2011 uitspraak gedaan in het kader van een cassatieprocedure betreffende de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling zonder schone lei, zoals bedoeld in artikel 350 lid 3, onder c, van de Faillissementswet. De verzoeker, vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Garretsen, had beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem, dat op 14 oktober 2010 was gewezen. Dit arrest volgde op een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 september 2010, waarin de schuldsaneringsregeling was behandeld.
De Hoge Raad verwijst in zijn uitspraak naar de relevante feiten en het verloop van het geding in feitelijke instanties. De klachten die in het cassatierekest zijn aangevoerd, zijn door de Hoge Raad beoordeeld. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), dat bepaalt dat geen nadere motivering vereist is wanneer de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verzoeker. De uitspraak is gedaan door vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter, samen met de raadsheren J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel. De openbare uitspraak vond plaats op 1 april 2011, waarbij raadsheer E.J. Numann de uitspraak heeft gedaan.