ECLI:NL:HR:2011:BP4587
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en bewezenverklaring geweldpleging in cassatie
Op 19 april 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem van 28 april 2009. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 16 december 2006 te Nijmegen samen met anderen openlijk in vereniging geweld had gepleegd tegen twee slachtoffers, waarbij hij zelf had gestompt en/of geslagen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met een ander geweld had gepleegd, bestaande uit stompen, slaan en schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van de slachtoffers.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het deel van het arrest dat stelde dat verdachte zelf had gestompt en/of geslagen, en tot vrijspraak van dat onderdeel. De Hoge Raad herhaalde echter de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie (HR LJN AL6209) dat voor een bewezenverklaring op grond van art. 141 Sr Pro niet vereist is dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zelf heeft gestompt of geslagen, maar dat het voldoende is dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het bewezen verklaarde geweld.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat klaagde over onvoldoende motivering van het hof faalt en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft het arrest van het hof in stand en wordt bevestigd dat de bewezenverklaring toereikend is zonder dat specifiek hoeft te worden vastgesteld dat verdachte zelf het geweldshandeling heeft verricht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem wordt bevestigd.