ECLI:NL:HR:2011:BP4595

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04490
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in verkeerszaken

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof had een taakstraf, geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid opgelegd.

Het cassatiemiddel werd verworpen omdat het geen rechtsvragen opriep die beantwoording behoefden. De Hoge Raad constateerde echter dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Als gevolg daarvan werd ambtshalve de geldboete verminderd van €1.500 naar €1.425 en de duur van de vervangende hechtenis van 25 naar 24 dagen. De overige onderdelen van het arrest werden bevestigd. De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor wat betreft de strafoplegging en stelde de strafmaat dienovereenkomstig bij.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de geldboete en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn, bevestigt overige straffen.

Uitspraak

5 april 2011
Strafkamer
nr. 09/04490
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 februari 2009, nummer 23/001342-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 11 maart 2008 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 9, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot (de Hoge Raad leest:) een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis en tot een geldboete van € 1.500,-, subsidiair 25 dagen hechtenis, met ten aanzien van feit 1 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Mulder, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 1.500,-, subsidiair 25 dagen hechtenis.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 1.425,- bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 24 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2011.