ECLI:NL:PHR:2021:248

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
15 maart 2021
Zaaknummer
19/02713
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 6:97 BWArt. 51c SvArt. 51g Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over samenloop proeftijd en ontvankelijkheid benadeelde partij in schadevordering

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte wegens meervoudige diefstal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar en legde een schadevergoedingsmaatregel op aan een benadeelde rechtspersoon. De verdachte stelde cassatie in tegen de proeftijd en de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar schadevordering.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaar oplegde terwijl eerder een proeftijd van twee jaar was opgelegd voor een tussenliggende veroordeling. Volgens art. 63 Sr Pro en art. 57 Sr Pro mag bij samenloop slechts één straf worden opgelegd, waarbij het maximum wordt beperkt. De Hoge Raad verwerpt echter de klacht dat het hof niet had mogen kiezen voor een langere proeftijd, omdat de beperking ziet op het maximum van de straf.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat voor de ontvankelijkheid van een benadeelde rechtspersoon in een schadevordering niet noodzakelijk is dat het voegingsformulier de rechtsvorm en statutaire naam vermeldt. Het ontbreken van een machtiging of uittreksel Kamer van Koophandel is geen beletsel voor ontvankelijkheid, mits geen concrete twijfel bestaat over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Ten aanzien van de schadevaststelling is geoordeeld dat de schade kan worden geschat indien nauwkeurige vaststelling onevenredige vertraging veroorzaakt. Het hof schatte de schade op € 100, wat niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het arrest echter voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

De overige klachten worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Arrest vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij schadevergoedingsmaatregel; overige klachten verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02713
Zitting16 maart 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, bij arrest van 3 juni 2019 de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van drie jaren en tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens de verdachte hebben mr. Th.O.M. Dieben en mr. G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak is eerder bij de Hoge Raad aan de orde geweest. Bij arrest van 10 april 2018 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 mei 2016 vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarbij geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij alsmede wat betreft de strafoplegging, en de zaak teruggewezen om de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, en het beroep voor het overige verworpen. [1]
4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof art. 63 in Pro combinatie met art. 57 Sr Pro heeft geschonden door in het bestreden arrest een proeftijd van drie jaar op te leggen, terwijl bij een tussenliggende veroordeling reeds een proeftijd van twee jaar was opgelegd. Beide straffen kunnen volgens de toelichting op het middel niet naast elkaar worden opgelegd.
5. Het hof heeft de verdachte wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd in de periode van 20 februari 2015 tot en met 27 februari 2015 onder toepassing van art. 63 Sr Pro veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van drie jaren.
6. Blijkens een zich bij de stukken bevindend uittreksel justitiële documentatie van 18 april 2019 is de verdachte tussen de periode van de bewezenverklaarde feiten en de veroordeling door het hof in de onderhavige zaak wegens andere strafbare feiten veroordeeld, te weten:
(i) op 28 april 2016 door de politierechter in de rechtbank Gelderland wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 26 februari 2016, tot 50 uren werkstraf, subsidiair 25 dagen hechtenis;
(ii) op 16 november 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren, zittingsplaats Leeuwarden, wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 9 januari 2015, tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis;
(iii) op 7 september 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens mishandeling, meermalen gepleegd op 14 februari 2012 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren en 20 uren taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis.
7. Wat wordt aangevoerd, komt erop neer dat als de feiten van de onderhavige zaak gelijktijdig zouden zijn behandeld met de feiten die ten grondslag lagen aan de veroordeling van 16 november 2016, het het hof gelet op art. 57, eerste lid, Sr niet vrij had gestaan om “voor de (winkel)diefstal van 9 januari 2015 een voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van
tweejaar en daarnaast voor de (winkel)diefstallen van 20 en 27 februari 2015 een voorwaardelijke straf met een proeftijd van
driejaar. Het hof had namelijk een (1) straf moeten opleggen en dus bij gelijktijdige behandeling de keuze moeten maken tot de oplegging van een proeftijd van twee
ofdrie jaar”. Nu het hof eerder heeft gekozen voor een proeftijd van twee jaar, stond het het hof niet vrij om nu een proeftijd van drie jaar op te leggen, aldus de toelichting op het middel. Beide straffen kunnen niet naast elkaar worden opgelegd.
8. Art. 57 Sr Pro luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch — voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft — niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
9. Art. 63 Sr Pro luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
10. Zodra art. 63 Sr Pro van toepassing is, komt
de factoniet zozeer art. 57, eerste lid, Sr, als wel art. 57, tweede lid, Sr in beeld. Zoals Machielse het heeft verwoord: “Eén straf toch is niet meer op te leggen.” [2] Art. 63 in Pro verbinding met art. 57, tweede lid, Sr strekt er vervolgens toe het maximum te beperken van de hoofdstraf die de rechter die het tweede vonnis of arrest wijst, kan opleggen. [3] De “straf” in art. 57, tweede lid, Sr slaat terug op de in het eerste lid genoemde hoofdstraf.
11. Het middel gaat er terecht vanuit dat het hof bij een gelijktijdige berechting en samenloop van misdrijven waarop een gelijksoortige hoofdstraf is gesteld, één straf(combinatie) had moeten opleggen, [4] maar gaat er ten onrechte vanuit dat de door de eerste rechter gekozen straf aan de opvolgende rechter andere beperkingen oplegt dan die betreffende het maximum van de op te leggen hoofdstraf. [5]
12. Het middel faalt.
13. Het
tweede middelklaagt over de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij en valt uiteen in drie deelklachten.

De eerste deelklacht

14. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in haar vordering tot schadevergoeding, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt ten eerste aangevoerd dat uit het voegingsformulier weliswaar volgt dat de benadeelde partij een rechtspersoon zou zijn, maar niet van welke rechtsvorm sprake is (B.V., N.V. et cetera) en wat de statutaire naam is, waardoor sprake is van een verzuim met betrekking tot de partijnaam. In het verlengde hiervan wordt ten tweede aangevoerd dat een machtiging voor [betrokkene 1] om namens “ [A] ” het voegingsformulier te ondertekenen, ontbreekt, waardoor niet valt in te zien hoe de machtiging van [betrokkene 1] afdoende kan vaststaan als niet duidelijk is welke rechtspersoon haar überhaupt gemachtigd heeft.
15. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat namens de verdachte het volgende is aangevoerd:
“Ten aanzien van de vordering benadeelde partij stel ik mij op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Uit het formulier blijkt niet welke rechtsvorm de [A] heeft. Daarnaast ontbreekt er een machtiging en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Ik zie ook geen inkoopfacturen bij de vordering. De inkoopprijs zou het uitgangspunt moeten zijn bij het bepalen van de schade. Tenslotte hoor ik de advocaat-generaal zeggen dat de [A] vestiging is opgeheven.”
16. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 261,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De vordering van de benadeelde partij is namens haar ingediend door plaatsvervangend filiaalleider [betrokkene 1] . Zij is ook degene die namens de benadeelde partij aangifte heeft gedaan van de eerste diefstal. Het hof heeft geen reden te twijfel[en] aan haar bevoegdheid in haar hoedanigheid van plaatsvervangend filiaalhouder aangifte te doen namens de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van een machtiging - zoals door de advocaat-generaal en de verdediging is betoogd - of het ontbreken van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in een geval als dit geen beletsel voor ontvankelijkheid van de vordering. De verdediging heeft ook geen concrete omstandigheden genoemd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2006).
Ook de omstandigheid dat de desbetreffende vestiging van [A] is opge[he]ven, staat naar het oordeel van het hof niet aan ontvankelijkheid van de vordering in de weg. Dit brengt namelijk niet met zich dat de schade voor de benadeelde is weggevallen. Uit niets blijkt verder dat een nagekomen bate van dit filiaal, zoals hier de door de verdachte te betalen schadevergoeding, niet meer ten goede kan komen aan de rechthebbende.”
17. Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende voorop te worden gesteld. Ingevolge het bepaalde in art. 51c, derde lid, Sv kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot de voeging door middel van de formulier als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv. Een dergelijke volmacht is echter niet vereist indien de benadeelde partij een rechtspersoon is en het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. [6]
18. Het voorgaande neemt niet weg dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting twijfel kan rijzen over de bevoegdheid van de vertegenwoordiger van een rechtspersoon. Om dit te voorkomen, verdient het aanbeveling om bij het voegingsformulier een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie of bestuurder te voegen, waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. [7]
19. De klacht gaat er vanuit dat om “spookpartijen” te voorkomen, eisen moeten worden gesteld aan de tenaamstelling van de benadeelde partij en dat – in geval de benadeelde persoon een rechtspersoon betreft – het voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering noodzakelijk is dat uit het voegingsformulier blijkt welke rechtsvorm deze rechtspersoon heeft en wat haar statutaire naam is. Hoewel in het civiele recht bepaalde eisen nodig kunnen zijn om “spookpartijen” te voorkomen, ligt dat toch wat anders bij de vordering van een benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure. In zo een geval heeft de rechter immers eerst moeten vaststellen dat de (rechts)persoon die zich voegt als benadeelde partij daadwerkelijk slachtoffer is geworden van een strafbaar feit. Het oordeel van het hof om de benadeelde partij ontvankelijk te achten in haar vordering tot schadevergoeding, terwijl niet blijkt welke rechtsvorm de rechtspersoon heeft of wat haar statutaire naam is, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft voorts aangegeven waarom de omstandigheid dat de desbetreffende vestiging van [A] is opgeheven niet aan de ontvankelijkheid van de vordering in de weg staat. In het licht van deze motivering is het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk.
20. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat een machtiging ontbreekt, maar niet waarom aan de bevoegdheid van [betrokkene 1] , door wie de vordering namens de benadeelde partij is ingediend, zou moeten worden getwijfeld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geen reden heeft te twijfelen aan haar bevoegdheid in haar hoedanigheid van plaatsvervangend filiaalhouder aangifte te doen namens de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van een machtiging of het ontbreken van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in een geval als dit geen beletsel voor ontvankelijkheid van de vordering, mede nu de verdediging geen concrete omstandigheden heeft genoemd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede gelet op hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd – niet onbegrijpelijk.
21. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
22. Deze deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de schade van de benadeelde partij kan worden geschat op een bedrag van € 100 omdat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
23. Art. 6:97 BW Pro luidt aldus:
“De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.”
24. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW Pro). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. [8]
25. In de onderhavige zaak is namens de verdachte aangevoerd dat geen inkoopfacturen bij de vordering zijn overgelegd en dat de inkoopprijs het uitgangspunt zou moeten zijn bij het bepalen van de omvang van de schade. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (de diefstal van acht dozen Lego) rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de omvang van deze schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, omdat de gevorderde schade (€ 261,90) niet is gebaseerd op de kale inkoopprijs, hetgeen ook volgens het hof kennelijk uitgangspunt dient te zijn bij het bepalen van de omvang van de schade. Het hof heeft vervolgens de omvang van de schade – mede gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – niet onbegrijpelijk geschat op een bedrag van € 100.
26. De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
27. De laatste deelklacht van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat voor een bedrag van € 100 de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd ten behoeve van het slachtoffer.
28. De klacht is in de kern gebaseerd op het slagen van de eerste en de tweede deelklacht. Nu deze deelklachten falen, faalt ook de derde deelklacht.
29. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
30. Beide middelen falen. De tweede en derde deelklacht van het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
31. In het licht van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, wijs ik er ambtshalve op dat het hof in de onderhavige zaak vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, waardoor het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
32. Ambtshalve heb ik voor het overige geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:540.
2.A.J. Machielse in:
3.Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556,
4.Vgl. destijds A-G Silvis in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2011:BP4595 onder 9 bij HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4595,
5.A.J. Machielse in:
6.Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006, r.o. 2.4.
7.Zie ook rubriek 1C van het door de minister voor Rechtsbescherming vastgestelde schadevergoedingsformulier,
8.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,