Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof art. 63 in Pro combinatie met art. 57 Sr Pro heeft geschonden door in het bestreden arrest een proeftijd van drie jaar op te leggen, terwijl bij een tussenliggende veroordeling reeds een proeftijd van twee jaar was opgelegd. Beide straffen kunnen volgens de toelichting op het middel niet naast elkaar worden opgelegd.
tweejaar en daarnaast voor de (winkel)diefstallen van 20 en 27 februari 2015 een voorwaardelijke straf met een proeftijd van
driejaar. Het hof had namelijk een (1) straf moeten opleggen en dus bij gelijktijdige behandeling de keuze moeten maken tot de oplegging van een proeftijd van twee
ofdrie jaar”. Nu het hof eerder heeft gekozen voor een proeftijd van twee jaar, stond het het hof niet vrij om nu een proeftijd van drie jaar op te leggen, aldus de toelichting op het middel. Beide straffen kunnen niet naast elkaar worden opgelegd.
de factoniet zozeer art. 57, eerste lid, Sr, als wel art. 57, tweede lid, Sr in beeld. Zoals Machielse het heeft verwoord: “Eén straf toch is niet meer op te leggen.” [2] Art. 63 in Pro verbinding met art. 57, tweede lid, Sr strekt er vervolgens toe het maximum te beperken van de hoofdstraf die de rechter die het tweede vonnis of arrest wijst, kan opleggen. [3] De “straf” in art. 57, tweede lid, Sr slaat terug op de in het eerste lid genoemde hoofdstraf.
tweede middelklaagt over de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij en valt uiteen in drie deelklachten.