ECLI:NL:HR:2011:BP4798

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05300
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in faillissementszaak over vorderingsrecht en redelijk belang

In deze zaak stond een faillissementsprocedure centraal waarbij de vraag speelde of het vorderingsrecht van de verzoeker summierlijk bleek en of de verzoeker een redelijk belang had bij het instellen van het beroep. De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Rotterdam en vervolgens door het gerechtshof te 's-Gravenhage. Tegen het arrest van het hof stelde de verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld, maar concludeerde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. Hiermee blijft de beslissing van het hof in stand, waarmee het summierlijk blijken van het vorderingsrecht en het redelijk belang van de verzoeker zijn bevestigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 1 april 2011.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

1 april 2011
Eerste Kamer
10/05300
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
MITSUI AUTOMOTIVE EUROPE B.V., in liquidatie,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Mitsui.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 10/604 F van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2010;
b. het arrest in de zaak 200.074.742/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 november 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De zaak is voor [verzoeker] mondeling toegelicht door zijn advocaat, en voor Mitsui namens haar advocaat door mr. R.J. van Galen, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 april 2011.