ECLI:NL:HR:2011:BP4798
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatie in faillissementszaak over vorderingsrecht en redelijk belang
In deze zaak stond een faillissementsprocedure centraal waarbij de vraag speelde of het vorderingsrecht van de verzoeker summierlijk bleek en of de verzoeker een redelijk belang had bij het instellen van het beroep. De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Rotterdam en vervolgens door het gerechtshof te 's-Gravenhage. Tegen het arrest van het hof stelde de verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld, maar concludeerde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. Hiermee blijft de beslissing van het hof in stand, waarmee het summierlijk blijken van het vorderingsrecht en het redelijk belang van de verzoeker zijn bevestigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 1 april 2011.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof.