ECLI:NL:PHR:2014:1766
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep inzake misbruik faillissementsaanvraag zonder uitzicht op baten
Bij vonnis van 15 april 2014 verklaarde de Rechtbank Amsterdam verzoeker in staat van faillissement op verzoek van verweersters. Verzoeker stelde hoger beroep in bij het Hof Amsterdam, dat dit op 3 juni 2014 verwierp en het vonnis bekrachtigde. Verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
Het cassatieberoep richtte zich vooral tegen het oordeel van het hof dat verweersters geen misbruik van recht maakten bij de faillissementsaanvraag, omdat niet evident was dat er geen baten zouden zijn en zij een rechtens te respecteren belang hadden. Verzoeker stelde dat faillissement niet kan worden uitgesproken als de schuldenaar niet over liquide middelen of snel liquide te maken activa beschikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat er aanleiding was voor nader onderzoek naar de vermogenspositie van de gefailleerde en dat het niet evident was dat er geen baten zouden zijn. De stelling van verzoeker dat verweersters misbruik maakten, werd verworpen. De klachten tegen het arrest van het hof waren ongegrond en boden geen aanleiding tot cassatie.
De Hoge Raad concludeerde dat de aangevoerde klachten geen rechtsvragen opriepen die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten en gaf daarom advies tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het faillissement blijft in stand.