ECLI:NL:HR:2011:BP4977

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01432
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 2 onder d RvArt. 120 lid 1 RvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake beroepsaansprakelijkheid advocaat

In deze zaak stond de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat centraal, waarbij eiseres beroep in cassatie instelde tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam. De zaak betrof onder meer de vraag of een dagvaarding die nietig was verklaard op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d jo. artikel 120 lid 1 Rv Pro, gevolgen had voor de aansprakelijkheid.

De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank Utrecht en het gerechtshof Amsterdam en concludeerde dat de in het middel aangevoerde klachten geen grond voor cassatie boden. Er werd geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest werd gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2011. De Hoge Raad veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding, maar begrootte deze kosten aan de zijde van verweerders op nihil.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

18 maart 2011
Eerste Kamer
10/01432
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], handelende onder de naam [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] (in enkelvoud).
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 238920/HA ZA 07-2004 van de rechtbank Utrecht van 28 januari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.027.860 van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 maart 2011.