ECLI:NL:HR:2011:BP9344
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens onterechte strafverzwaring en overschrijding redelijke termijn
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die veroordeeld was tot een gevangenisstraf van drie jaar en de maatregel ter beschikkingstelling met dwangverpleging vanwege ernstige zedendelicten. Het hof had bij de strafoplegging rekening gehouden met strafbare feiten waarvoor de verdachte nog niet onherroepelijk was veroordeeld, hetgeen in cassatie terecht werd bekritiseerd.
Hoewel het hof onterecht deze niet-onherroepelijke feiten meewoog, werd het cassatieberoep deels verworpen omdat in de gelijktijdig behandelde strafzaak het cassatieberoep werd afgewezen, waardoor die veroordelingen alsnog onherroepelijk werden. Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de straf.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof en bepaalde dat deze werd verminderd tot twee jaar en tien maanden. Het overige beroep werd verworpen. Hiermee werd recht gedaan aan het belang van de verdachte, die zich bovendien in voorlopige hechtenis bevond.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en tien maanden vanwege onjuiste strafverzwaring en overschrijding van de redelijke termijn.