ECLI:NL:HR:2011:BQ1685
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid schuldeiser in verzet tegen rekening en verantwoording wegens verjaring vordering onrechtmatige daad
In deze zaak stond centraal de vraag of een schuldeiser niet-ontvankelijk is in verzet als bedoeld in artikel 2:23b lid 5 BW tegen een rekening en verantwoording en een plan van verdeling, wanneer de vordering uit onrechtmatige daad verjaard is.
De feiten betreffen een procedure tussen een verzoeker en een verweerder in liquidatie, waarbij het geschil zich richtte op de ontvankelijkheid van het verzet van de schuldeiser. De rechtbank Arnhem en het gerechtshof Arnhem hadden eerder beschikking gegeven in deze zaak, waarna beroep in cassatie werd ingesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De beslissing werd genomen zonder nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad veroordeelde de verzoeker tevens in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is verworpen en de verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het verzet wegens verjaring van de vordering.