ECLI:NL:HR:2011:BQ3026
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en bevestigt afwijzing getuigenverzoek
In deze strafzaak heeft de verdediging verzocht om de leider van het onderzoek Passiebloem als getuige te horen tijdens de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft dit verzoek afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van noodzaak. De Hoge Raad oordeelt dat deze afwijzing een beslissing is op grond van art. 328 en Pro 331 Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro, waarop art. 322 lid 4 Sv Pro geen betrekking heeft.
Het onderzoek ter terechtzitting is opnieuw aangevangen, en de bestreden einduitspraak berust niet op de afwijzing van het getuigenverzoek, waardoor het middel onbesproken blijft. Daarnaast klaagt de verdediging over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad stelt vast dat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn.
Als gevolg hiervan vermindert de Hoge Raad de duur van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaar met zeven maanden, tot zeven jaar en zeven maanden. De overige middelen van cassatie worden verworpen, en de rest van het arrest blijft in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het getuigenverzoek wordt afgewezen.