ECLI:NL:HR:2011:BQ3641
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens in rechte toegekende vorderingen in strafzaak medeplegen diefstal en afpersing
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld ten laste van betrokkene, veroordeeld voor medeplegen diefstal met geweld en afpersing.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €72.157,31 en de betalingsverplichting aan de Staat op €67.157,31. Betrokkene stelde dat het hof ten onrechte niet in mindering had gebracht de in rechte toegekende vorderingen van benadeelde partijen, waaronder immateriële en materiële schadevergoedingen.
De Hoge Raad overweegt dat immateriële schadevergoeding niet in mindering hoeft te worden gebracht omdat daar geen corresponderend voordeel tegenover staat. De materiële schadevergoeding, toegekend aan een benadeelde partij en gerelateerd aan het feit waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft, had wel in mindering gebracht moeten worden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting niet waren verminderd met de materiële schadevergoeding en vermindert deze bedragen respectievelijk tot €71.157,31 en €66.157,31. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting met €1.000 wegens in mindering te brengen materiële schadevergoeding.