ECLI:NL:HR:2011:BQ3765
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over rechtmatigheid opname telefoongesprekken in penitentiaire inrichting en redelijke termijn
In deze zaak stond centraal of het structureel opnemen en beluisteren van telefoongesprekken door een gedetineerde in een penitentiaire inrichting in strijd was met de Penitentiaire Beginselenwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en of dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting.
De verdachte was gedetineerd in de PI Vught en voerde niet-geprivilegieerde telefoongesprekken die werden opgenomen en beluisterd. Hoewel het hof aannam dat de mededeling over het toezicht was gedaan en dat het toezicht noodzakelijk was vanwege telefonische bedreigingen, stelde de verdediging dat dit een ernstige schending van het recht op een behoorlijke procesorde vormde.
De Hoge Raad bevestigde dat het opnemen van deze gesprekken niet valt onder een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv, en dat er geen sprake was van een schending die tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting zou leiden. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met twee jaar en acht maanden.
De uitspraak benadrukt het belang van het mededelingsvereiste en de noodzaak dat de verdediging haar rechten kan uitoefenen, maar stelt ook grenzen aan de toepassing van bewijsuitsluiting bij schendingen buiten het voorbereidend onderzoek.
Uitkomst: De gevangenisstraf van de verdachte wordt verminderd met twee jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige verweren worden verworpen.