Conclusie
4.Overzicht van de feiten
6.Ambsthalve opmerkingen over de ontvankelijkheid van de klager
7.Het middel
middelricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 33 Fw Pro niet meebrengt dat het gelegde strafvorderlijke beslag is vervallen door het faillissement van [A] BV.
De standpunten van de curator en de belanghebbende
de redendie de rechtbank geeft voor haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de latere strafrechter tot verbeurdverklaring zal overgaan. Volgens de rechtbank is er namelijk geen sprake van beslag ter verbeurdverklaring op grond van art. 33a lid 1 sub a, maar van beslag ter verbeurdverklaring op grond van art. 33a lid 1 sub b en/of c Sr. Dat betekent dat de rechtbank de inbeslaggenomen auto’s heeft aangemerkt als voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan casu quo voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid. Dat acht de steller van het middel onbegrijpelijk omdat alles erop wijst dat een eventuele verbeurdverklaring zal worden gestoeld op art. 33a lid 1 sub a Sr, nu de betrokken auto’s geheel of grotendeels uit de baten van het strafbare feit (witwassen) zijn verkregen.
door middel vanof
uit de batenvan het misdrijf zijn verkregen (art. 33a lid 1 sub a Sr), omdat daarmee al snel witwassen op de loer ligt. Hoewel wellicht kan worden getwist over het antwoord op de vraag of een voorwerp
waarmeeof
met behulp waarvaneen strafbaar feit is gepleegd of voorbereid (art. 33a lid 1 sub b of c Sr), dient te worden verbeurdverklaard terwijl daarmee net zo goed vorderingen van schuldeisers kunnen worden voldaan, is het niet aan de beklagrechter om die vraag te beantwoorden en/of het publiek belang af te wegen tegenover de private belangen van de schuldeisers van de failliete beslagene. Zou de beklagrechter dat wel doen, dan wordt al snel vooruitgelopen op het latere oordeel van de strafrechter. De beantwoording van deze vraag en de daarbij te maken belangenafweging ligt dus primair bij het openbaar ministerie en vervolgens de rechter die over de vordering tot verbeurdverklaring beslist, waarbij de rechter gehouden is het draagkrachtbeginsel als bedoeld in art. 24 Sr Pro te betrekken. [26]