ECLI:NL:HR:2011:BR5060

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00363
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 lid 2 sub j BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens weigering detachering

In deze zaak stond de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet centraal, waarbij de werknemer werd ontslagen omdat hij hardnekkig weigerde te voldoen aan een redelijke opdracht tot het verrichten van werkzaamheden in detachering. De feiten betroffen een arbeidsrelatie waarin de werkgever een detacheringopdracht gaf die de werknemer niet wilde accepteren.

De zaak werd behandeld in de lagere instanties, waaronder de kantonrechter te Alkmaar en het gerechtshof te Amsterdam, die het ontslag als rechtsgeldig beoordeelden. De werknemer stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en daarmee het oordeel van het hof bekrachtigd. De klachten van de werknemer konden niet leiden tot cassatie, mede omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde de werknemer tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is bevestigd dat het ontslag op staande voet op grond van artikel 7:678 lid 2 sub j BW Pro rechtsgeldig was vanwege de hardnekkige weigering van de werknemer om de detacheringopdracht uit te voeren.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet wegens weigering van de werknemer om een redelijke detacheringopdracht uit te voeren.

Uitspraak

30 september 2011
Eerste Kamer
10/00363
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 238318/CV EXPL 07-2195 van de kantonrechter te Alkmaar van 1 augustus 2007 en 3 oktober 2007;
b. het arrest in de zaak 200.001.042/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 oktober 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor [verweerster] door mr. S.F. Sagel, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 30 september 2011.