Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
30 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van een regionale ambulancevoorziening tegen een vordering van de Officier van Justitie tot verstrekking van een 112-melding en de communicatie tussen de melder en de centralist van de meldkamer ambulancezorg. De rechtbank had geoordeeld dat de centralist, als op grond van de Wet BIG geregistreerde verpleegkundige, een geheimhoudingsplicht en een verschoningsrecht heeft ten aanzien van deze gegevens. De rechtbank stelde dat de gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen en dat de klaagster, als afgeleid verschoningsgerechtigde, niet hoeft te voldoen aan de vordering.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en herhaalt de jurisprudentie over het verschoningsrecht van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. Ook wordt benadrukt dat het verschoningsrecht niet absoluut is, maar dat zeer uitzonderlijke omstandigheden nodig zijn om het te doorbreken. In deze zaak acht de rechtbank die omstandigheden niet aanwezig, ondanks het onderzoek naar een mogelijk kapitaal delict.
Verder verduidelijkt de Hoge Raad de procedure bij vorderingen tot verstrekking van gegevens aan het OM waarbij een derde een beroep doet op het verschoningsrecht. De rechter-commissaris moet in eerste instantie beoordelen of het verschoningsrecht geldt en of het doorbroken kan worden. Het oordeel van de verschoningsgerechtigde wordt gerespecteerd tenzij redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de onjuistheid daarvan.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van het OM en bevestigt dat de gevorderde 112-melding en communicatie onder het medisch beroepsgeheim vallen en dat de klaagster niet verplicht is deze gegevens te verstrekken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gevorderde 112-melding en communicatie onder het medisch beroepsgeheim vallen en niet verstrekt hoeven te worden.