ECLI:NL:HR:2012:BU2795
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en betekening verstekmededeling in strafzaak
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie verplicht is om na de rechtsgeldige betekening van een verstekmededeling aan de griffier jaarlijks opnieuw deze mededeling te betekenen. De zaak betrof een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 1 maart 2000, waarbij de verdachte verstek liet gaan. De verdachte had geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland ten tijde van de betekening.
De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en stelde vast dat de opvatting dat het OM jaarlijks opnieuw de verstekmededeling aan de griffier moet betekenen, geen steun vindt in het recht. Daarbij werd benadrukt dat vertraging na een rechtsgeldige betekening binnen een jaar voor rekening van de verdachte komt, omdat ervan uitgegaan mag worden dat hij op de hoogte is van de uitspraak.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat niet was gebleken dat de redelijke termijn was overschreden en de middelen onvoldoende waren om tot cassatie te leiden. De Hoge Raad bevestigde hiermee de geldende regels omtrent de betekening van verstekmededelingen en de beoordeling van de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het OM niet verplicht is jaarlijks opnieuw een verstekmededeling aan de griffier te betekenen.