ECLI:NL:PHR:2012:BU2795
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en verstekmededeling in belastingfraudezaak
In deze zaak gaat het om een belastingfraude- en valsheid in geschriftzaak waarbij de verdachte in mei 1995 werd geconfronteerd met een huiszoeking en daaropvolgende verhoren. Na diverse procedurele stappen, waaronder nietigverklaringen van dagvaardingen en verstekverlening wegens afwezigheid van de verdachte, werd de verdachte in maart 2000 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie voorwaardelijk.
De kern van het cassatieberoep betreft de vraag of de redelijke termijn van de strafprocedure is overschreden, met name in de fase na de verstekuitspraak. De Hoge Raad herhaalt dat een verstekmededeling binnen een jaar rechtsgeldig moet worden betekend aan de verdachte of griffier, en dat het OM jaarlijks moet trachten de mededeling alsnog aan de verdachte te betekenen. In deze zaak is de mededeling aan de griffier binnen een jaar verricht en is er vervolgens jaarlijks getracht de mededeling aan de verdachte te betekenen, ondanks dat de verdachte sinds 2000 niet meer in Nederland stond ingeschreven.
De Hoge Raad oordeelt dat de verdachte zich niet kan beroepen op schending van het recht op een redelijke termijn, omdat hij naliet zijn verblijfplaats kenbaar te maken en zich bereikbaar te houden voor justitie. De langdurige duur van de procedure wordt mede aan de verdachte toegerekend. Daarnaast faalt het middel dat de strafoplegging onvoldoende gemotiveerd zou zijn. De conclusie is dat het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en oordeelt dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.