ECLI:NL:HR:2012:BU3452
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens niet-naleving Aanwijzing opsporing en vervolging seksueel misbruik
De zaak betreft een verdachte die wordt vervolgd voor zedendelicten gepleegd in de periode 1992-1994 met een minderjarig meisje. De aangifte bevatte aspecten van hervonden herinneringen, waarvoor volgens de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) geconsulteerd had moeten worden.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk omdat de LEBZ niet was geraadpleegd vóór aanhouding en verhoor van de verdachte, en omdat de beslissing tot vervolging niet binnen drie maanden na binnenkomst van de zaak bij het parket was genomen. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de niet-naleving van deze procedurele voorschriften een ernstig vormverzuim oplevert.
De Hoge Raad overwoog dat het gebruik van verklaringen met hervonden herinneringen omstreden is en dat de Aanwijzing en bijbehorende bijlage 3 een belangrijke waarborg vormen om te voorkomen dat verdachten te lichtvaardig worden aangehouden. Nu in deze zaak de LEBZ niet was geconsulteerd en de vervolgingsbeslissing te laat werd genomen, is het oordeel van niet-ontvankelijkheid niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige vormverzuimen bij vervolging van zedendelicten met hervonden herinneringen.