ECLI:NL:PHR:2012:BY0249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest ontucht met minderjarige dochter wegens vormverzuim
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter in de periode van november 2006 tot maart 2007. Het hof baseerde de bewezenverklaring op verklaringen van het slachtoffer, de moeder en verdachte zelf, waarbij werd aangenomen dat verdachte de dochter had erkend en als vader optrad.
De verdediging voerde onder meer aan dat niet was voldaan aan de vereisten van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, zoals het ontbreken van een deskundige rechercheur en een informatief gesprek met het slachtoffer. Dit vormverzuim zou strafvermindering moeten rechtvaardigen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het verweer van de verdediging heeft verworpen met het argument dat de Aanwijzing slechts instructienormen bevat waaraan verdachte geen rechten kan ontlenen. De Hoge Raad stelt dat bepaalde onderdelen van de Aanwijzing als recht in de zin van art. 79 RO Pro kunnen worden beschouwd en dat schending daarvan een ernstig vormverzuim kan opleveren dat strafvermindering rechtvaardigt.
Het hof heeft echter nagelaten te beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een ernstig vormverzuim en welk rechtsgevolg daaraan moest worden verbonden. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling, met inachtneming van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a Sv.
Het middel dat de bewijsvoering onvoldoende zou zijn om de ontucht te bewijzen, faalt. De Hoge Raad bevestigt dat de erkenning van het kind en de verklaringen voldoende grondslag bieden voor de bewezenverklaring.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het vormverzuim en de strafvermindering.