ECLI:NL:PHR:2012:BU3452
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens niet-consultatie LEBZ en schending redelijke termijn bij zedendelict jeugdige verdachte
De zaak betreft een verdachte die wordt vervolgd voor zedendelicten gepleegd tussen 1992 en 1994 toen hij 13 tot 15 jaar oud was. De aangifte bevat aspecten van hervonden herinneringen, waarvoor de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik voorschrijft dat de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) geraadpleegd moet worden vóór aanhouding van de verdachte. Dit is niet gebeurd.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens schending van deze aanwijzing en overschrijding van de redelijke termijn voor vervolging. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het vormverzuim ernstig en onherstelbaar was. De Hoge Raad overwoog dat de Aanwijzing, voor zover het de verplichte consultatie betreft, als recht in de zin van art. 79 RO Pro kan worden opgevat en dat het niet naleven daarvan een ernstig vormverzuim oplevert.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vervolgingsbeslissing ruim een jaar na binnenkomst van het proces-verbaal werd genomen, wat een schending van de redelijke termijn inhoudt. Hoewel dit op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, weegt het mee in het totaalbeeld. Gezien de bijzondere omstandigheden, waaronder de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten en de impact van de procedure op hem, is het oordeel van niet-ontvankelijkheid niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van de verdachte.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-consultatie van de LEBZ en overschrijding van de redelijke termijn.