ECLI:NL:HR:2012:BU9880

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01240
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:290 lid 2 BWArt. 7:230a BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieverzoek inzake opzegging huur bedrijfsruimte en ontruimingstermijn

In deze zaak stond de vraag centraal of de opzegging van de huur van bedrijfsruimte en de verlenging van de ontruimingstermijn correct waren toegepast volgens het toepassingsbereik van artikel 7:290 lid 2 BW Pro en subsidiair artikel 7:230a BW.

Het geschil betrof een beschikking van de kantonrechter Rotterdam en een daaropvolgende beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage, waarbij de huur van bedrijfsruimte was opgezegd en de ontruimingstermijn werd behandeld. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, aangezien de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde verzoekster in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bleef de beschikking van het hof in stand, waarmee de opzegging en ontruimingstermijn definitief waren vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekster wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

24 februari 2012
Eerste Kamer
11/01240
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 1050516 VZ VERZ 09-6515 van de kantonrechter te Rotterdam van 14 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.062.665/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 december 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het cassatieberoep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 755,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 24 februari 2012.